artikel afdrukken
bionieuws 12, 04-07-2015

achtergrond
Broedplaats van vegetatiekartering

Veldstations bloeiden op of stierven een zachte dood. Een rondgang langs de historie en hoogtepunten van Nederlandse biologische stations en hun markante bewoners. Dit keer: Weevers\' Duin, Oostvoorne.

Door Gert van Maanen
© bionieuws


De oprichting van Weevers’ Duin – beoogd tweelingstation van duinstation Schellingerland op Terschelling – is een kwestie van lange adem. Na het mislukte plan om de achtergebleven legerbarak Beatrix bij Rockanje te betrekken, komt in 1949 duingebied Voorne in zicht bij Stichting voor Wetenschappelijk Duinonderzoek (SWD). Dit natuurgebied van 400 hectare is in 1938 door het Administratiefonds aangekocht om natuurschoon en recreatie te bieden aan de ‘mingegoede bevolking van Rotterdam’. Het lukt de Amsterdamse plantkundige Theodorus Weever en zijn promovendus Marcus Adriani om dit fonds te bewegen een station te bekostigen in de Duinzoom vlak bij de nieuw aangelegde Tenellaplas. Het gebouw (zie foto:

collectie Nol Freijsen) biedt overnachting aan maximaal twintig personen. Het wordt 31 augustus 1952 geopend door de 10-jarige Theo Weevers, kleinzoon van de dan net overleden SWD-voorzitter en stationsnaamgever. De bibliotheek van zijn opa, die al als hbs-er in de Voornse duinen botaniseerde, schenkt de familie aan het station.

In 1958 wordt Weevers’ Duin een onderzoeksafdeling van het Instituut voor Oecologisch Onderzoek (IOO, nu NIOO-KNAW) onder leiding van botanicus Adriani. Hij begint er met ecofysiologisch onderzoek, maar is al snel vooral veel tijd kwijt aan het bestrijden van Rotterdamse plannen om het havengebied rond de Maasvlakte op te spuiten. Als gedreven natuurbeschermer stelt hij uiteindelijk het Voornse duingebied veilig. Onverstoorbaar werkt ondertussen gastonderzoeker Eddy van der Maarel – later hoogleraar ecologische botanie in Uppsala – aan een vegetatiekartering van het gebied. Het levert in 1964 de eerste in kleur gedrukte vegetatiekaart van Nederland op.

Verdiepingen
Het instituut floreert en opent in 1968 een nieuw gebouw van drie verdiepingen, met meerdere laboratoria, een kweekkas en later ook klimaatkasten en een proefveld. Het oude gebouw wordt weer een soort veldstation, zodat studentenpractica en bezoekers – in die tijd jaarlijks rond de twaalfhonderd overnachtingen – de onderzoekers minder storen. Er komt meer experimenteel onderzoek, naar stikstoffixatie bij duindoorn, zaadontkieming en invloed van bodemverdichting en betreding op vegetatie. Ook gaat het station participeren in het landelijke zwaartepunt dat weegbree als studieobject heeft. Het onderzoek verwijdert zich daarmee van de duin-ecologie en ontwikkelt zich steeds meer richting de fundamentele disciplines als plantenfysiologie en populatiegenetica.

Vanaf 1983 hangt een dreigende reorganisatiewolk boven het IOO en in 1988 verhuist de afdeling duinonderzoek definitief naar de vestiging in Heteren. Oud Weevers’ Duin blijft nog een tijdje functioneren als veldstation, maar in 1995 worden alle gebouwen verkocht aan een particulier. Die verbouwt het hoofdgebouw tot luxe landhuis met zwembad.

Het pand – nog steeds Weevers’ Duin geheten – is nog begin dit jaar per openbare inschrijving voor bijna een miljoen euro verkocht als vrijstaand landhuis ‘in de nabijheid van het overweldigende duinlandschap en Noordzeestrand’.

Naam: Biologisch station Weevers’ Duin
Periode: 1952-1995
Waar: Duinzoom, Oostvoorne
Specialisme: Kust- en duinonderzoek
Nu: Luxe landhuis met zwembad