artikel afdrukken
bionieuws 9, 23-05-2015

achtergrond
Broedplaats voor ringers en vogelaars

Veldstations bloeiden op of stierven een zachte dood. Een rondgang langs de historie en hoogtepunten van Nederlandse biologische stations en hun markante bewoners.Dit keer: Ornithologisch Station

Door Gert van Maanen
© bionieuws


De grote natuurleermeester Jac. P. Thijsse zelf maakt in 1930 in zijn lijfblad De Levende Natuur bekend dat vogelonderzoekers en -beschermers de handen ineen hebben geslagen om op Texel een Ornithologisch Station te stichten. ‘Zij trachten een kapitaal en jaarlijksche bijdragen te verkrijgen om aan den Noordpunt van Texel, nabij den Vuurtoren een passend verblijf te verkrijgen voor directeur, één of meer assistenten en nog eventuele medewerkers om daar voortdurend het vogelleven van de Noordzee-eilanden te bestuderen’, schrijft Thijsse. Het moet meer worden dan alleen een trekstation ‘dat een opsomming geeft van de vogels die gaan en komen’, maar ook onderzoek omvatten aan voedingsvoorwaarden, broeden en ‘de avonturen der jongen na het verlaten van eischaal of nest’.

De ambitieuze plannen van Thijsse leiden in 1931 tot de oprichting van de Stichting Vogeltrekstation Texel, met als doelstelling het bevorderen van ornithologisch onderzoek in het algemeen en dat aan vogeltrek in het bijzonder. De stichting krijgt gastvrij onderdak bij het Zoölogisch Station op Texel, het huidige NIOZ. Op het eiland heeft het ook een soort hut (zie foto) van waaruit met netten vogels kunnen worden gevangen, een bezigheid die goed aansluit bij de eeuwenoude traditie van vinkenbanen. Als de Vogelwet van 1912 het vangen van vogels voor consumptie verbiedt, schakelen veel vinkers over op het – net zo spannende – vangen voor het ringen ten behoeve van vogeltrekonderzoek. De Leidse ornitholoog Eduard van Oort start vanaf 1911 met de centrale coördinatie van dit ringonderzoek.

Vrijwilligers van de stichting Vogeltrekstation Texel doen waarnemingen en registraties aan vogeltrek, maar voeren bijvoorbeeld ook verplaatsingsexperimenten uit met spreeuwen. Vanaf 1954 krijgt de stichting financiering van de KNAW. In hetzelfde jaar richt de academie het Instituut voor Oecologisch Onderzoek (IOO) op, het huidige NIOO-KNAW. De coördinatie van het ringonderzoek valt vanaf 1958 onder dat instituut, maar de afdeling Vogeltrekstation voegt zich pas in 1962 bij het IOO in Arnhem. Aanvankelijk in de studentenbehuizing ‘de Spreeuwpot’ van het danmalige TNO-Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur, maar vanaf 1964 in de IOO-nieuwbouw bij de Sylvahoeve.

Het station fungeert sindsdien zowel als ringcentrale en als onderzoekseenheid. Zo doet het op locatie experimenten aan de oriëntatie tijdens de trek bij kokmeeuw, spreeuw, vink en wintertaling op de ‘huisvinkenbaan’ Sparregat bij Wassenaar. Het Vogeltrekstation verhuist steeds braaf als zelfstandige eenheid met het NIOO mee, eerst naar Heteren, later naar Wageningen.

Nog steeds koestert het zijn nauwe samenwerking met de ringersvereniging. Op uitgegeven ringen voert het nog steeds de aanduiding ‘Vogeltrekstation Arnhem Holland’. Vinders van vogels met ringen kunnen gegevens online terugmelden of per post opsturen naar Wageningen. Maar: ‘stuurt u ons GEEN dode vogels op!’, zo meldt de website.

Naam: Ornithologisch Station
Periode: 1931 - nu
Waar: Texel, Arnhem, Heteren, Wageningen
Specialisme: Waar-nemingen aan trekvogels
Nu: Vogeltrekstation (NIOO-KNAW)