artikel afdrukken
bionieuws 8, 02-05-2015

achtergrond
Loopkever- en paddenstoelenparadijs

Veldstations bloeiden op of stierven een zachte dood. Een rondgang langs de historie en hoogtepunten van Nederlandse biologische stations en hun markante bewoners. Dit keer: Biologisch Station Wijster

Door Gert van Maanen
© bionieuws


‘Toch is het jammer dat Nederland niet een eenvoudig ingericht station heeft voor biologische studies of oefeningen in de volle natuur te midden van den vollen rijkdom van zijn plassen, venen, heide en bosch’, stelt de Wageningse hoogleraar plantenfysiologie Anton Blaauw in 1926 in het Vakblad voor Biologen. Om enthousiast te vervolgen: ‘Welnu, Nederlandsche biologen, zulk een station, op eenvoudige schaal, krijgt ge in den zomer van 1927 te Wijster in Drente.’

Het was zijn promovendus Willem Beijerinck die – na zijn promotie op eencellige zoetwaterwieren in heideplassen – in Wijster een werkkamer en bibliotheek ter beschikking stelt in zijn net gebouwde woning (zie foto). Het Biologisch Station Wijster is geboren. Beijerinck werpt zich op onderzoek aan subfossiele plantenresten in Friese en Groninger terpen en legt hiervoor een zadencollectie aan, waaruit uiteindelijk zijn beroemde Zadenatlas der Nederlandsche Flora (1947) voorkomt. Beijerinck overtuigt ook Natuurmonumenten het nabijgelegen natuurgebied Dwingelderveld aan te kopen. Enkele bevriende hoogleraren richten in 1933 de Stichting Het Biologisch Station Nederland op om hem financieel te steunen.

In 1937 doet Beijerinck verslag in het Vakblad voor Biologen vanuit zijn ‘eenzame post’ over de eerste tien jaar van het biologisch station. Sinds de oprichting hebben 43 personen met heel verschillende achtergronden gebruik gemaakt van het laboratorium, 12 ‘oudere biologen’ en verder onderzoekers uit Nederland en België. Na de Tweede Wereldoorlog is Beijerinck genoodzaakt een overeenkomst aan te gaan met de Landbouwhogeschool Wageningen en ontvangt hij tot zijn pensionering in 1953 een lijfrente. Na zijn pensioen wordt de Landbouwhogeschool eigenaar en versterken twee Leidse biologen het station: Jan Barkman en Piet den Boer. Barkman werpt zich op plantensociologisch onderzoek van mossen, korstmossen en later paddenstoelen, terwijl Den Boer onderzoek begint aan populatiedynamica van loopkevers. In 1967 krijgt het station een nieuw gebouw en in 1969 is het zelfs thuisbasis van het eerste internationale loopkevercongres.

Door bezuinigingen gedwongen besluit de Wageningen in 1998 het station en omringende terreinen te verkopen aan Het Drentse Landschap. Het station leeft voort als Willem Beijerinck Biologisch Station en is nog steeds een uitvalsbasis voor veldbiologen en studenten. Eef Arnolds zet het paddenstoelenwerk voort en de huidige beheerder Rikjan Vermeulen doet nu het loopkeveronderzoek. Volgens Vermeulen heeft vooral het levenswerk van Piet den Boer aan overleving van loopkeverpopulaties een grote invloed gehad op het ecologisch denken in Nederland. ‘In feite is hij de vader van de ecologische hoofdstructuur en allerlei verbindingszones, want hij was de eerste die aantoonde dat een gebied een bepaalde grootte moest hebben of met andere gebieden in verbinding moest staan.’

Naam: Biologisch Station Wijster
Periode: 1927-1998
Waar: Kampweg, Wijster
Specialisme: Planten-sociologie, loopkevers en paddenstoelen
Nu: Willem Beijerinck Biologisch Station