artikel afdrukken
bionieuws 3, 14-02-2015

achtergrond
Overstekend wild

Een Groningse paling heeft het zuiden van Nederland bereikt en lost daarmee weer een stukje van de palingpuzzel op. Bionieuws maakt een reconstructie en kijkt alvast vooruit.

Door Maartje Kouwen
© bionieuws


Ali de paling. Met een zender in zijn buik dook hij op 22 oktober het water in bij Delfzijl. Via een vispassage passeerde hij het gemaal De Drie Delfzijlen en kwam via het brakke water van de Eems in de zee terecht. Vermoedelijk volgde hij de kustlijn naar het zuiden, waar Belgische onderzoekers hem vorige maand bij toeval in de monding van de Westerschelde ontdekten – en hem terstond Ali doopten. Enkele dagen later volgden nog twee palingen, die het gemaal Duurswold trotseerden en vervolgens voor de kust van België werden waargenomen. Een korte stop in de lange wereldreis naar de Sargassozee. Waarschijnlijk. Want niemand heeft er ooit een paaiende paling gezien.

Ali is onderdeel van het project Ruim baan voor Vissen, dat met behulp van zenders probeert te achterhalen of en hoe palingen hun weg van het zoete water naar de zoute zee weten te vinden, vertelt aquatisch ecoloog Jeroen Huisman van Van Hall Larenstein. ‘We hebben tachtig palingen gezenderd om te zien of ze deze barričres over komen’, zegt Huisman. ‘Het was niet de bedoeling de rest van hun reis te volgen, maar misschien kunnen we dat in samenwerking met lokale onderzoekers toch doen. Van hun route zijn slechts delen bekend.’ Tijdens de reis ondervindt de paling nogal wat obstakels en hindernissen, van sluizen tot dammen, dijken en waterkrachtcentrales. Er is geen vis waar vissers en natuurbeheerders zoveel mee zeulen als met palingen. Voordat Ali goed en wel een paling is, heeft hij er al een bewogen reis op zitten. Een reconstructie.

Ali 1.0
De levensreis van Ali begint in de Sargassozee, midden op de Atlantische Oceaan . Zijn moeder is mogelijk afkomstig uit Frankrijk, zijn vader uit Italië. Of uit Zweden, of misschien wel uit Turkije. De Europese paling (Anguilla anguilla) die visboeren aanduiden als ‘lokale specialiteit’ met ‘duidelijke herkomst’ is in werkelijkheid een wereldreiziger met internationale afkomst. De golfstroom bepaalt waar palingen opgroeien, hun instinct waar ze paaien. In de Sargassozee komen palingen uit alle windstreken samen, nemen onderzoekers aan. Al heeft niemand er palingen zien voortplanten, hun nakomelingen zijn er wel waar-genomen.

Ali was net als zijn 1 tot 4 miljoen broertjes en zusjes eerst een eitje, vervolgens een doorzichtige larve en daarna een zogeheten leptocephalus: een vislarve met een typisch wilgenbladvorm. Op weg naar het zoete water groeien deze wilgenbladlarven uit tot zogenoemde glasaaltjes: kleine doorzichtige sliertjes met gitzwarte oogjes.

Glasaal
Ali is ongeveer een half tot twee jaar oud als hij na een reis van 6.000 kilometer via de oceanen de zoete binnenwateren intrekt. ‘We weten niet hoe oud glasalen precies zijn als ze hier voor de deur staan’, zegt Alex Koelewijn, voorzitter van Stichting Duurzame Palingsector Nederland (Dupan) en tevens palingverwerker. ‘Ze zijn zo groot als een luciferstokje, hun gehoorbeentjes zijn minuscuul, de leeftijd is daardoor moeilijk vast te stellen.’

Jaarlijks arriveren in de maanden december tot en met mei de glasalen in Europa. In de afgelopen drie jaar is deze intrek voor het eerst weer iets toegenomen, concludeerde visserijadviescommissie ICES in december in een aaladviesrapport voor 2015, maar de intrek is nog steeds ver onder het niveau van de hoogtijdagen in de jaren zeventig van de vorige eeuw. In september 2014 beoordeelde IUCN de paling daarom opnieuw als ernstig bedreigd op de Rode Lijst.

In Nederland staan glasalen voor een dichte deur, zegt Koelewijn. ‘Af en toe kunnen ze via een sluis naar binnen glippen en er zijn nog twee ingangen in Groningen en Friesland, maar verder zit de kust op slot.’ Vangst van glasaal is in Nederland dan ook verboden; in Engeland en Frankrijk niet. Wel verplicht de Europese aalverordening uit 2007 vissers 60 procent van hun glasaalvangst in te zetten voor restocking: het uitzetten van glasaal in de binnenwateren, binnen de Europese lidstaten.

Vermoedelijk kwam Ali zo toch nog in Nederland terecht. In 2014 zette stichting Dupan 8,5 miljoen alen uit, die door Franse vissers waren gevangen. Die hoeveelheid bestaat uit vers gevangen glasaal en uit zogeheten pootaal, legt Koelewijn uit: ‘Je kunt nu al glasaal vangen in het zuiden van Frankrijk, maar het is te koud om ze hier uit te zetten. In een paar maanden groeien ze in een palingkwekerij van 0,3 gram tot 3 gram. Deze pootaal heeft een iets betere overlevingskans en de visserijdruk is daardoor beter verspreid.’ Ook dit jaar zal Dupan een vergelijkbare hoeveelheid glasaal uitzetten.

Rode aal
Eenmaal in de binnenwateren kan de juveniele Ali langzaam opgroeien van zogeheten rode aal tot volwassen aal, waarbij hij steeds donkerder en groter wordt. Helemaal ongestoord verloopt dat niet. Watervervuiling, voedseltekort, een parasiet die zich in zijn zwemblaas nestelt, hongerige vogels en visserij spelen de paling parten.

Na een aantal jaren maakt de paling zich op voor de trek naar de paaigronden. Het specifieke moment is niet afhankelijk van leeftijd, maar van grootte. Vrouwtjes trekken weg als ze tussen de 10 en 15 jaar oud zijn, mannetjes tussen de 5 en 7 jaar, vertelt Koelewijn. Fysiologisch ondergaat de paling dan opnieuw veranderingen. ‘Hij wordt zwarter, krijgt grotere ogen en donkere vinnen, zijn buik wordt witter, zijn darmstelsel kleiner en zijn gonaden groter’, vertelt aquatisch ecoloog Martin de Graaf van Imares. ‘Het wordt een heel ander beest.’

Ali is dan bijna klaar zijn voor zijn wereldreis, maar vertrekken is nog niet eenvoudig. Wel verplicht de Europese Aalverordening uit 2007 lidstaten om ten minste 40 procent van de volwassen palingen vrije uittrek naar zee te bieden. In het daaruit voortvloeiende Nederlandse Aalbeheerplan, dat in 2015 wordt geëvalueerd, zijn daartoe een aantal maatregelen opgenomen. In 2015 moet een groot aantal van de belangrijkste knelpunten voor uittrekkende aal worden opgelost, de beroepsvisserij is in omvang teruggedrongen, en sinds 2009 mogen vissers in de migratieperiode van september tot december geen paling vangen. Ook zette Dupan in 2014 vierduizend geslachtsrijpe palingen over de dijk, door ze aan de rivierkant te vangen met fuiken, en aan de zeekant uit te zetten. Ook Ali krijgt bij deze oversteek een helpende hand – plus een zender.

In hoeverre die maatregelen effect hebben op hoeveel soortgenoten van Ali naar de paaigronden trekken, is pas op de lange termijn vast te stellen. De Europese Visserijcommissie oordeelde in oktober 2014 dat de status van de paling vooralsnog kritiek blijft. Ze adviseert alle door de mens veroorzaakte mortaliteit zoveel mogelijk tot nul te reduceren: visserij, maar ook waterkrachtcentrales, gemalen en vervuiling. Ali heeft het tot nog toe allemaal overleefd.

Schieraal
Nu Ali eenmaal de zee heeft bereikt, kan zijn echte reis beginnen. Eindpunt: de Sargassozee, een groot gebied in de Atlantische Oceaan. Dat is althans de heersende aanname, want onderzoekers zijn er tot nog toe niet in geslaagd paaiende palingen waar te nemen. ‘Dat heeft alles te maken met technische beperkingen’, vertelt De Graaf. ‘Palingen gaan ver de diepte in, daar kun je een zender niet aflezen. Deense en Duitse onderzoekers zijn vorig jaar en dit jaar gaan zoeken in de Sargassozee, maar het is ze nog niet gelukt om de Europese aal te vinden; de Sargassozee is ook een enorm gebied. De Japanners zijn er wel in geslaagd de Japanse aal, Anguilla japonica, te vinden, maar dat is een heel andere soort.’ Naast de Europese en Japanse aal paait ook de Amerikaanse aal A. rostrata in de Sargassozee; de Europese legt van de drie de langste route af (Marine Ecology Progress Series, 2006).

Meest succesvol in het traceren van de Europese aal zijn onderzoekers van het inmiddels afgeronde Eeliad-project, die sinds 2006 palingen in Ierland van een zender voorzagen. Die zender liet na een half jaar los, dreef naar de oppervlakte en verstuurde gegevens via satelliet. Zodoende slaagden de onderzoekers erin het eerste deel van de route in kaart te brengen (Science, 2009). Die verloopt niet rechtstreeks oostwaarts naar de Sargassozee, maar eerst naar het zuiden, richting de Azoren. Daar komen de palingen terecht in de Noord-Atlantische conveyor belt: de circulerende oceaanstroming, die de palingen vermoedelijk in de Sargassozee doet belanden.

Ook wanneer de palingen als glasaal door de mens zijn verplaatst, zijn ze in staat de weg naar de Sargassozee terug te vinden, blijkt uit onderzoek. ‘Britse’ glasalen die in Zweden waren uitgezet, presteerden hierin even goed als glasalen die op natuurlijke wijze in Zweden waren opgegroeid (Marine Ecology Progress Series, 2014).

Ali zal nog niet volledig geslachtsrijp zijn als hij aan het laatste stuk van zijn reis begint; dat proces voltrekt zich onderweg – en blijkt een van de lastigste uitdagingen om in het lab te bewerkstelligen. Uit het Eeliad-project blijkt dat palingen tijdens hun reis overdag koele wateren opzoeken, tot wel 1000 meter diep. ‘Hun afdaling naar diepere wateren biedt palingen de mogelijkheid hun temperatuur onder 11 graden Celsius te houden, waarmee ze geslachtsrijping voorkomen totdat ze de Sargassozee bereiken’, schrijven de onderzoekers in het Science-artikel. ’s Nachts trekken de palingen naar het warme oppervlaktewater, vermoedelijk om hun metabolisme en zwemactiviteit hoog te houden – niet om te foerageren, want eten doen palingen onderweg niet.

Ali 2.0
Eenmaal aangekomen op de paaigronden kan Ali doen waar de hele reis uiteindelijk om te doen is: zich voortplanten. Leids onderzoek in zwemtunnels laat zien dat Ali bij aankomst waarschijnlijk 60 procent van zijn vetreserves heeft verbruikt en nog 40 procent van zijn energievoorraad over heeft voor het produceren van nageslacht (Journal of Fish Biology, 2004). Dat is ook meteen het laatste dat Ali zal doen, want vermoed wordt dat palingen slechts eenmaal paaien en dan het loodje leggen. Ook dat is een aanname, vertelt De Graaf: ‘Dat is niet ongebruikelijk voor migrerende soorten. Het is een strategie.’

Komen palingen uiteindelijk aan paaien toe, dan kan een individu 1 tot 4 miljoen nakomelingen produceren. Ook het resultaat daarvan is niet meteen zichtbaar: eitjes zijn er niet waargenomen. Het eerste nieuwe teken van leven zijn de larven, vertelt De Graaf, waarvan er dichter bij de Sargassozee meer voorkomen dan verder daarvan af, zoals een Deense onderzoeker in 1922 al observeerde.

Van Ali vallen weinig tekenen van leven meer te verwachten. Zijn zender zal geen gegevens versturen, die zit inwendig en had enkel bij de monding van de Eems nog een laatste ontvanger. Alleen vergelijkbare ontvangers kunnen het signaal oppikken, zoals de Belgische onderzoekers deden. De kans is klein dat Ali een dergelijke ontvanger op de open oceaan passeert. Een ding is wel zeker: alle barričres en hindernissen die de geheimzinnige levensreis van palingen in de weg liggen, heeft Ali overwonnen.

Op dit artikel is een correctie binnengekomen: de Japanse aal paait niet in de Sargassozee, maar rond de Marianen.