artikel afdrukken
bionieuws 4, 28-02-2015

achtergrond
Kibbelen over gentechkunst

Biokunst zet de discussie over ggo’s op scherp. Wie lichtgevende visjes of genetisch versleutelde planten wil tentoonstellen moet voldoen aan speciale regels, signaleert een recent rapport.

Door Jeroen Scharroo
© bionieuws


Een mini-ecosysteempje met verschillende mutanten van Arabidopsis thaliana. Zebravisembryo’s geïnjecteerd met een getransformeerde cyanobacterie. In de kolommen van Bionieuws vallen ze nauwelijks uit de toon, in een museum zijn ze minder alledaags. Toch horen ze bij de installatie Errorarium die biokunstenaar Adam Zaretsky in 2013 in het Gemeentemuseum Den Haag wilde laten zien. Bezoekers mochten aan licht- en geluidsknoppen draaien om contact te maken met de visjes. En als ze daarbij een beetje reageerden zoals de kunstenaar beoogde, speelden daarbij allerlei vragen door hun hoofd. Hoe werkt dit? Waarom gebruikt hij genetisch gemodificeerde organismen? En: is dit eigenlijk wel gewenst?

Zaretsky zette ook staatssecretaris Wilma Mansveld van het ministerie van Infrastructuur en Milieu aan het denken. Naar aanleiding van strubbelingen rond de vergunning voor het Errorarium (zie kader ‘De kwestie Errorarium’) verzocht ze in 2014 de Commissie Genetische Modificatie (Cogem) een signalering uit te brengen over maatschappelijke aspecten die een rol spelen bij tentoonstellingen met genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s). Op 8 januari jongstleden publiceerde de Cogem het rapport Ggo’s te kijk gezet.

‘Waar de vraag op neerkomt was of de staatssecretaris kunst met ggo’s anders zou moeten beoordelen dan wetenschappelijke toepassingen van ggo’s’, vertelt Frans Brom, ethicus bij het Rathenau Instituut en als voorzitter van de Cogem-subcommissie Ethiek & Maatschappelijke Aspecten verantwoordelijk voor de signalering. ‘Bij wetenschappelijk onderzoek met ggo’s is vaak heel duidelijk waarom we het doen: voor kennisvermeerdering bijvoorbeeld, of om ziektes te verminderen. Dan is er een maatschappelijk doel.’ Maar aan biokunst een doelstelling toeschrijven is complexer, vervolgt hij.

Intussen duikt genetische modificatie steeds vaker op buiten het lab; in het persbericht bij de signalering spreekt Cogem van een heuse trend. In 2012 en 2013 adviseerde de commissie al over twee kunstprojecten met ggo’s. Voor het project Blighted by Kenning wilde kunstenares Charlotte Jarvis een dna-fragment dat codeert voor het eerste artikel van de Universele verklaring van de rechten van de mens op appels spuiten. De appels ging ze daarna versturen naar verschillende laboratoria, die de code zouden ontcijferen. Een jaar later wilde kunstenaarscollectief C-lab voor het project Living mirror genetisch aangepaste bacteriën gebruiken voor visualisaties en daarmee portretten van publiek maken.

Verwaarloosbaar
Over beide projecten adviseerde Cogem positief. Blighted by Kenning kon zoals aangevraagd worden uitgevoerd in het lab; het laagste veiligheidsniveau ML-1 voldeed daartoe volgens Cogem. Ook de ggo’s voor Living mirror leverden volgens Cogem verwaarloosbaar kleine risico’s op voor mens en milieu, aangezien ze in een container zaten. Het project was te zien in Naturalis.

De signalering Ggo’s te kijk gezet zet alle regelgeving die van toepassing is voor het tentoonstellen van ggo’s nog eens op een rijtje. Er is geen specifieke wetgeving voor toepassingen van genetische modificatie in kunst. Dus gelden de normale regels. De eerste: voor alle activiteiten waarbij gebruikt wordt gemaakt van genetische modificatie geldt een vergunningsplicht. Aan welke andere regels getoetst moet worden, verschilt vervolgens per organisme.

De genetisch gemodificeerde micro-organismen uit Living mirror vallen net als genetisch gemodificeerde planten alleen onder de regelgeving voor ggo’s. Dat betekent dat het ministerie van IenM ze toetst op milieurisico’s. Aanvullende regels zijn er voor deze categorie niet en het doel van de toepassing doet er dus wettelijk gezien niet toe. Wel stelt het ministerie eisen aan het beveiligingsniveau van labs waarin wordt gewerkt met ggo’s. Musea zijn überhaupt niet geclassificeerd als lab – ze kunnen wel een vergunning aanvragen, maar een geclassificeerde ruimte mag volgens de regels niet publiek toegankelijk zijn. Wie buiten het lab wil treden met ggo-creaties, moet voldoen aan regels voor introductie in het milieu.

Bij dieren ligt de situatie complexer: biotechnologische handelingen met dieren vallen onder een groot aantal wetten. Zo zou de Wet dieren een ethische toetsing vereisen mochten er gentechdieren worden aangemeld. En de Wet op de dierproeven verbiedt proeven voor een doel dat ook kan worden bereikt via alternatieven of waarvan het belang niet opweegt tegen het ongerief dat het dier wordt berokkend. Maar, merkt de Cogem op, tot dusverre hebben zich nog geen kunstenaars gemeld die dieren genetisch wilden modificeren.

Maar los van de regelgeving, maatschappelijke onrust rond ggo’s is een feit, constateert Brom. ‘Kunst kan deze discussie op scherp zetten’, vertelt hij. ‘Een deel van de kunst – niet alle kunst – is daar zelfs expliciet naar op zoek.’ Lucas Evers van Waag Society, instituut voor kunst, wetenschap en technologie, onderschrijft dit. ‘Een gezond maatschappelijk debat over genetische modificatie vindt nog steeds niet plaats. Kunst kan hier een rol in spelen. Een kunstwerk kan een vraagstuk soms op een betere manier tastbaar maken dan een wetenschappelijke publicatie dat kan.’ Waag Society probeert publiek te betrekken bij levenswetenschappen met hands on-ervaringen, vertelt hij. ‘Dat maakt dat mensen er andere ideeën over krijgen: ze vinden het minder eng en ze krijgen een dieper begrip; vooroordelen worden weggenomen.’

Volgens de Cogem-signalering lijkt het grote publiek weinig moeite te hebben met genetisch versleutelde micro-organismen en planten. Als er dieren in het spel zijn roert publiek zich veel duidelijker – vaak ook als de dieren zelf niet getransformeerd zijn. Brom: ‘Het zijn twee maatschappelijk gevoelige dossiers, en als die elkaar raken krijg je spanningen die in elkaar overgroeien.’ Als voorbeeld noemt hij het debat rond het tentoonstellen van Herman, de eerste genetisch gemodificeerde stier ter wereld (zie ook kader: ‘Stier Herman’). Brom: ‘De spanning die dieren in tentoonstellingen met zich meebrengen is misschien verwarrend; het is ook een fact of life. Het maakt de discussie prikkelend.’

Traditie
In de signalering schetst de Cogem een hele lijst functies die ggo-kunst kan vervullen: van esthetisch tot evocatief, van aanzetten tot reflectie tot educatief. Brom vindt niet dat de overheid doelstellingen of effecten hoeft mee te wegen in het beoordelen van aanvragen voor ggo-tentoonstellingen. ‘Doe niet iets anders voor kunst. We hebben hier het goede gebruik dat de overheid geen inhoudelijk standpunt inneemt over vragen als “Is dit goede kunst?” of “Draagt dit werk voldoende bij aan het maatschappelijk debat?” Nederland heeft daar een traditie in van terughoudendheid. Wij zeggen dan ook: blijf daar als wetgever en als vergunningsverlener bij vandaan.’

Ook praktisch gezien zou bijvoorbeeld een wettelijk verbod op ggo-kunst haken en ogen hebben, stelt Brom. ‘Als je een wettelijk kader wilt maken, maak je nooit regels voor een enkel geval. Regels zijn altijd generiek. Dat heeft consequenties, de regels kunnen ook het onderzoek raken.’ Maar of de overheid extra regels voor gentechkunst wil maken of niet, is uiteindelijk een politieke keuze, concludeert Brom. ‘Maar als je het mij als ethicus vraagt zeg ik: doe het niet.’

Ook Evers van Waag Society erkent dat de overheid de wetgeving niet kan oprekken voor kunst. Een voorgestelde oplossingsrichting om musea zelf te laten beoordelen of ze gentechkunst tentoonstellen, vindt hij echter ook niet wenselijk: ‘Dan zouden wij ons ding doen zonder dat de instanties die we daarvoor hebben zich erover uitspreken.’ Wat hem betreft maakt de minister van IenM gebruik van de mogelijkheid uitzonderingen te maken voor individuele gevallen. ‘Het zou heel gek als er een politiek zou zijn om kunst niet toe te laten, omdat men bang is dat de maatschappelijke discussie niet te controleren is. Dat is een verkrampte reactie.’

Een vraag die wat Brom betreft nog openligt is wat er gebeurt als kunstenaars een stap verder willen gaan dan ggo’s tentoonstellen. ‘Wat als ze hun werk bijvoorbeeld willen verkopen of het als voedsel aanbieden? Dat zou de discussie nog veel spannender maken.’


Kader: De kwestie Errorarium
Biokunstenaar Adam Zaretsky zoekt graag de grenzen op van wat wettelijk toelaatbaar is. Zijn Errorarium ziet eruit als een speelautomaat en bevat Arabidopsis-plantjes die verrijkt zijn met twee genconstructen, elk bestaande uit twee zinkvingers en een transcriptiefactor die genexpressie beïnvloedt. Gecombineerd leveren de twee constructen een genexpressie op die niet meer te volgen is. Hiermee levert de kunstenaar een commentaar op het reductionisme van veel wetenschappers, aldus Lucas Evers van Waag Society, opdrachtgever van de installatie. Daarnaast zwemmen er zebravisembryo’s rond in het werk, die zijn geïnjecteerd met cyanobacteriën. Die zijn getransformeerd met plasmide pAQ1 met daarop het idhA-gen. Hierdoor produceert de genetisch gemodificeerde cyanobacterie drieduizend keer zoveel D-lactaat en acetaat als het uitgangsorganisme. Doel is dat de embryo’s uitgroeien tot zelfvoorzienende vissen die kunnen leven van zonlicht. Bezoekers mogen knoppen aan het Errorarium open en dicht draaien, waarop geluiden klinken en de embryo’s lichtgeven als discolampen.

De installatie zou in 2013 te zien zijn op een tentoonstelling in het Haags gemeentemuseum. In december 2012 had het museum een vergunningaanvraag ingediend voor de installatie bij het Ministerie van IenM. Opdrachtgever Waag Society had de aanvraag zorgvuldig volgens alle vereisten opgesteld, aldus Evers.

Gezien de aard van de transformaties zou een soortgelijke aanvraag door een laboratorium waarschijnlijk vlotjes door de procedure zijn gekomen. Maar over het Errorarium bleef een inhoudelijke afweging uit. Het ministerie stelde een antwoord eerst nog uit wegens ‘het bijzondere karakter’ van de aanvraag. Pas in januari 2014 ontving het Haags Gemeentemuseum een reactie op zijn verzoek het project te mogen tentoonstellen. De aanvraag voor een vergunning werd niet gehonoreerd omdat de tentoonstelling al was afgelopen.

Het ministerie was er daarmee niet in geslaagd binnen de wettelijke termijn van vier maanden uitsluitsel te geven over een vergunningsaanvraag. Het Gemeentemuseum Den Haag kreeg hierom uiteindelijk een schadevergoeding toegekend. Het uitein-delijk tentoongestelde Errorarium heeft overigens geen regels gebroken: de visjes zaten er niet in toen het te zien was in Den Haag.

Kader: Stier Herman
Hij was het eerste transgene rund ter wereld en ook het eerste tentoongestelde genetische gemodificeerde organisme in Nederland: stier Herman. In 1990 kwam Herman ter wereld in Lelystad, met in zijn celkernen behalve runder-dna ook een menselijk gen voor het ontstekingsremmende eiwit lactoferrine. De bedoeling was dat Hermans dochters dit eiwit in hun melk zouden produceren. Met de publiciteit over Herman laaide in Nederland de discussie op over de wenselijkheid van genetisch gemodificeerde organismen.

De lactoferrine-opbrengst van Hermans dochters viel tegen. De koeien werden zoals gebruikelijk na afloop van de experimenten gedood, en ook Herman zou dat lot beschoren zijn. Maar dierenwelzijnsorganisaties verzetten zich, met succes, dus mocht Herman in 1999 al jong met pensioen.

Museum Naturalis in Leiden wilde de inmiddels gecastreerde Herman wel onderdak bieden. Vanwege de normale ggo-regelgeving mocht de os sowieso nooit naar buiten, maar mocht hij wel in een museum staan? Tegenstanders roerden zich en zowel de Cogem als de ethische commissie van de Nederlandse musea brachten adviezen uit. Uiteindelijk mocht Herman in een aparte stal staan, grotendeels afgeschermd door muren. Het publiek kon hem vanachter een hek bekijken.

Kort na Hermans verhuizing naar Leiden in 2002 bleek hij artrose te hebben, in 2004 werd hij geëuthanaseerd. Zijn ingewanden werden – weer conform de wetgeving rond ggo’s – vernietigd. Naturalis bewaarde echter wel Hermans huid en prepareerde die, zodat de opgezette stier nu weer deel uitmaakt van de tentoonstelling.