artikel afdrukken
bionieuws 1, 17-01-2015

onderwijs
‘Waar is de blinde darm gebleven?’

Verrijking van bèta-onderwijs. Dat biedt het Utrechtse scholenprogramma U-Talent. Dit keer door leerlingen scheten te laten produceren.

Door Maartje Kouwen
© bionieuws


‘Wie heeft er vandaag al een scheet gelaten?’ Na enige aansporing gaat er weifelend een enkele vinger de lucht in bij de groep in labjas gehulde leerlingen. ‘Het lichaam maakt scheetjes, en of je ze nu inhoudt of niet: uiteindelijk komen ze er toch uit’, vertelt de workshopbegeleider.

De leerlingen zitten in een zaal van het Utrechtse Universiteitsmuseum, dat 8, 9 en 10 december het decor vormde voor de U-Talentdagen. Dit programma biedt verrijking voor een groep geselecteerde havo- en vwo-leerlingen met bèta-interesse (zie kader). ‘Vanaf de eerste klas volgen leerlingen dit programma. Hierin ontdekken ze wat het betekent onderzoek te doen en hoe de universiteit werkt’, zegt Ruud Moesbergen, educatief medewerker bij het Universiteitsmuseum Utrecht. Zo’n 45 tweedejaars vwo-leerlingen rouleren gedurende de dag tussen drie workshops, vertelt Moesbergen, die vandaag in het teken staan van het onderwerp spijsvertering.

In de eerste workshop draait het zogezegd om scheten. Centrale vraag is hoe scheten ontstaan en wat ervoor zorgt dat iemand soms veel of juist weinig scheten laat. Op briefjes schrijven leerlingen de oorzaken. Op het bord hangen even later kreten als ‘gas’, ‘voedingsstoffen’, ‘ontstaan door eten’ en ‘verteren’. Al snel gaan de leerlingen zelf aan slag: het doel is scheten te maken in een reageerbuis. Er is geen practicumhandleiding of stappenplan te bekennen; de leerlingen moeten zelf bedenken hoe ze dit gaan aanpakken. Alleen de benodigde ingrediënten staan klaar: een vreemd gevormde reageerbuis, een warmwaterbad om het lichaam na te bootsen, suiker als voedsel, en gist als alternatief voor darmbacteriën. ‘Probeer maar’, spoort de workshopbegeleider aan. ‘Kijk of het lukt om scheten te maken.’

Sommige leerlingen gaan meteen in de weer met de onderdelen, anderen buigen zich over een tafel om een plan van aanpak te beramen. Ook de uitvoeringen verschillen: twee rustige jongens lossen geduldig eerst suiker op in water, een groep kletsende meisjes probeert met geweld een suikerklontje in het vergistingsbuisje te proppen. Uiteindelijk slagen ze er allemaal in scheten te creëren: overal stroomt een grauw goedje bubbelend uit de buizen. Daarmee is de proef nog niet ten einde: onderling overleggen ze druk over de beste aanpak en de juiste volgorde, en herhalen de proef. Die onderzoekende houding is precies wat het programma hoopt te bewerkstelligen, zegt Moesbergen.

Labjassen
In een zaal verderop discussiëren leerlingen in groepjes over een goede onderzoeksvraag. Thuis hebben ze al een voorbereidende opdracht gemaakt over een hond met een defecte alvleesklier, die daardoor het enzym amylase mist en zijn eten niet goed verteert. Amylase uit een potje over de hondenbrokken gieten blijkt niet te werken. Hoe kan dat? De ene groep wil onderzoeken of het wellicht uitmaakt dat de amylase op de hondenbrokken koud is, terwijl het enzym in het lichaam warm is. Een andere groep wil achterhalen of maagzuur wellicht iets met amylase doet. De twee workshopbegeleiders stimuleren de leerlingen hun vragen scherper te formuleren: ‘Een echte wetenschapper bedenkt ook een controle-experiment. Wat wil je precies testen en hoe kun je controleren of die ene factor wel echt de oorzaak is?’ De laatste leerlingen schaven hun vragen nog wat bij, terwijl om hen heen al druk labjassen heen en weer lopen met pipetten, potjes zetmeel en amylase.

De laatste workshop is een visuele. Op een grote tafel liggen allerlei geplastineerde onderdelen van het spijsverteringskanaal uitgestald: de maag van een koe en een paard, de darmen van een schaap, en ook een hond in plakjes en een overdwars doorsnede van een kat. Sommige leerlingen griezelen ervan, maar hun nieuwsgierigheid heeft de overhand; de attributen maken het spijsverteringskanaal wel erg inzichtelijk. Met knutselspullen bouwen ze vervolgens zelf spijsverteringskanalen: een touw fungeert als dunne darm, een isolatiebuis als dikke darm en een saladekom als maag. Daarbij houden ze rekening met verschillende dieren: de dikke darm van een hond is veel langer dan die van een schaap of geit. Als afsluiting van de workshop bezoeken ze de tentoonstelling Tot op het bot, waar nog meer magen en darmen te zien zijn. Maar voordat ze de zaal verlaten is er even paniek: ‘Waar is de blinde darm van het konijn gebleven?’ Knutselspullen gaan de lucht in, tassen worden binnenstebuiten gekeerd. ‘Heeft niemand hem gezien?’ De hond blijkt de schuldige: tussen de vele lagen van het preparaat dat van tong tot mond loopt, blijkt de blinde darm van het konijn verstopt.

Als afsluiter van de dag komt er ook een echte wetenschapper op bezoek: microbioloog Willem van Schaik van het AMC. Hij onderzoekt waarom bacteriën resistent worden, vertelt Van Schaik, en de leerlingen mogen alles vragen. ‘Hoe ziet je dag eruit als wetenschapper?’, willen ze weten, ‘Hoe verdien je geld?’ en ‘Krijg je meer geld als je succesvol bent?’ Voorzichtig stuurt Van Schaik de vragen meer richting vakinhoud: ‘Hebben jullie geen vragen over bacteriën of spijsvertering?’ Die zijn er ook: ‘Heeft antibiotica effect op de spijsvertering?’, ‘Wat zit er in Yakult?’ en ‘Kunnen bacteriën je gedrag beïnvloeden?’ Ook smetvrees komt voorbij, en het intrigerende voorbeeld van Toxoplasma, de parasiet uit kattenpoep die het gedrag van muizen – en mensen, vertelt Van Schaik – risicovoller maakt.

‘Ik hoop jullie over vijf jaar allemaal college te geven en jullie alles te vertellen over hoe bacteriën ons gedrag veranderen’, besluit Van Schaik zijn verhaal. ‘Alleen als je smetvrees hebt, kun je beter geen microbiologie gaan studeren’, waarschuwt hij nog. ‘Hoewel, dan ontdek je ook dat de meeste bacteriën geen kwaad kunnen.’

Kader: U-Talent-programma
Het U-Talent-programma biedt extra uitdaging in de bètavakken aan geselecteerde leerlingen in de onderbouw van het vwo en de bovenbouw van de havo. Het programma bestaat uit verdiepende en verrijkende onderwijsactiviteiten met als doel het bevorderen van talentontwikkeling bij leerlingen in bèta en techniek. Geselecteerde leerlingen komen jaarlijks naar het Universiteitsmuseum Utrecht, de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Utrecht voor onderwijsactiviteiten die vergezichten en toepassingen laten zien van de bètavakken. Op de eigen school krijgen de leerlingen daarnaast verrijking, verdieping en versnelling in het bèta-onderwijs vanuit het schoolprogramma, waaraan de scholen zelf invulling geven. Het U-Talent-programma is een initiatief van het Junior College Utrecht.