editie 16, 11-10-2014

interview
‘Kleinschalige landbouw voedt halve wereld’

De agrarische productie verdubbelen met als leidraad het gangbare westerse landbouwsysteem is niet verstandig, vindt de Wageningse landbouwecoloog Pablo Tittonell. ‘Ons systeem is deel van het probleem, dus dat moeten we zeker niet exporteren.’

Door Gert van Maanen
© bionieuws


‘Niet de productie van genoeg voedsel is de grootste opgave. We produceren nu meer dan genoeg calorieën om de wereldbevolking te voeden. We moeten het alleen produceren op plaatsen waar het echt nodig is. En voor de manier waarop dat het beste kan, bestaat geen standaardrecept dat wereldwijd werkt’, zegt Pablo Tittonell (1971), hoogleraar Farming Systems Ecology in Wageningen. De van oorsprong Argentijnse landbouwecoloog promoveerde in Wageningen en heeft tropenervaring op drie continenten. Op donderdag 16 oktober is hij een van de hoofdsprekers op de Wereldvoedseldag Eat it! in Amsterdam.

Tittonell verzorgt een dissonant geluid uit Wageningen. De dominante boodschap uit de landbouwstad, van oud-bestuursvoorzitter Aalt Dijkhuizen en zijn huidige opvolger Louise Fresco, is vooral dat grootschalige, intensieve landbouw nodig os om de groeiende wereldbevolking te voeden. Ook op een scherm in de hal van gebouw Radix waar Tittonell werkt, flitst de videoboodschap rond: ‘twee keer zoveel produceren, met de helft aan middelen’. ‘Met het laatste ben ik het wel eens’, zegt Tittonell nuchter, ‘maar het eerste waag ik te bestrijden. Mijn indruk is dat het vaak – wellicht onbewust en goedbedoeld – vooral wordt geroepen om het hier gangbare systeem te blijven rechtvaardigen. Maar je kunt ons model van industriële landbouw niet overplaatsen naar Afrika. Alleen al omdat de beoogde middelen aan energie en chemicaliën niet beschikbaar zijn. Verder is er ook het ethische argument: we moeten juist af van vervuiling van bodem en grondwater en de afbraak van biodiversiteit dat dit systeem met zich meebrengt.

Oman
‘We moeten eerst het complete probleem proberen te begrijpen’, vindt Tittonell. ‘Honger in ontwikkelingslanden en obesitas in de westerse wereld zijn allebei onderdeel van hetzelfde probleem. Op wereldschaal produceren we meer dan we kunnen consumeren en we verspillen heel veel voedsel. Er zijn genoeg calorieën. Op wereldschaal is hooguit tekort aan specifieke typen voeding: groentes en fruit bijvoorbeeld. Vlees eten we juist te veel.’ Dat bij een groeiende wereldbevolking en welvaart er automatisch meer vraag naar vlees komt, vindt Tittonell een veel te simpele redenering. ‘We hebben ook de keuze om minder vlees te eten. Waarom zou ieder wereldburger zoveel vlees willen eten als Argentijnen, Amerikanen en Europeanen?’

Dat het westerse intensieve landbouwsysteem zo’n grote bijdrage levert aan de totale wereldproductie aan voedsel is volgens Tittonell ook een misverstand. ‘De productiviteit per hectare is in landen als Oman, Nederland en België inderdaad heel hoog, maar op wereldschaal dragen West-Europa en de Verenigde Staten maar 12 procent bij aan de voedselproductie. De helft van alle voedsel in de wereld is afkomstig van kleinschalige bedrijven in de rest van de wereld. Kleinschalige landbouw voedt dus al de helft van de wereldbevolking. Wat we ook niet moeten vergeten is dat 97 procent van alle boerderijen nog steeds kleiner zijn dan twee hectare. Grootschalige en intensieve landbouw is vrijwel nergens de norm en gezien al de bijkomende problemen is het zeer de vraag of het wel de norm moet worden.

‘Ik ben zelf ook een product van de school van de Wageningse productie-ecoloog Kees de Wit, maar wel een met iets andere denkbeelden. De Wit hield vol dat de meest productieve landbouw ook de meest efficiënte is. Met grote kwasten kun je snel verven en biologische landbouw is dan zoiets als je huis verven met een tandenborstel. Bij graslandproductie werd in de jaren tachtig gedacht aan stikstofgiften van 500 tot 1.000 kilogram per hectare, terwijl we nu weten dat 200 kilogram meer dan genoeg is. In een potproef krijg je bij meer stikstof wel meer gras, maar in werkelijkheid lopen koeien door het gras, stappen ze erop en heb je overal verliezen. Of iets efficiënt is wordt sterk bepaald door de schaal waarop je het bekijkt’, aldus Tittonell.

Intensiveren is geen vies woord voor Tittonell, maar hij kiest dan voor ecologisch intensiveren. ‘Daarin maak je optimaal gebruik van wat de natuur je biedt. Dus gebruikmaken van vlinderbloemigen om stikstof te binden, ruime vruchtwisseling, het bevorderen van natuurlijke vijanden van plagen en ziekten en slimme gewascombinaties’, zegt Tittonell. Dat is volgens hem geen semantisch steekspel, zoals dat zo vaak gebeurt door ergens het woord duurzaam voor te zetten. Hij schreef er nog een artikel over in het juninummer van Current Opinion in Environmental Sustainability. ‘Het woord duurzaam kan haast iedereen gebruiken, omdat het vrijwel overal aan te koppelen is. Bij ecologisch intensiveren gaat het altijd om een slim gebruik van de natuurlijke functionaliteiten van ecosystemen. Het doel is agro-ecosystemen te ontwerpen die de natuur kan dragen en die van nature duurzaam zijn.’