artikel afdrukken
bionieuws 4, 01-03-2014

interview
‘Verbind wetenschap en waterschap’

Herstelmaatregelen om waterkwaliteit te verbeteren zijn maar weinig effectief. ‘Dat komt doordat er geen koppeling is tussen wetenschap en waterschap’, betoogt Piet Verdonschot in zijn oratie tot bijzonder hoogleraar herstelecologie.

Door Maartje Kouwen
© bionieuws


Het ecologisch waterbeheer professionaliseren. Dat wordt het doel van de kersverse bijzonder hoogleraar Wetland Restoration Ecology Piet Verdonschot (1955), die 28 februari zijn oratie hield aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Ik wil de praktijk tussen waterbeheer en onderzoek samenbrengen.’

De waterkwaliteit in Nederland is matig. ‘Binnen Europa staan we op de een-na-laatste plaats. Daar worden allerlei redenen voor gegeven, bijvoorbeeld dat we het putje van Europa zijn. Maar dat is een slap excuus. Het komt doordat er geen koppeling is tussen wetenschap en waterschap.’

Verdonschot houdt zich vooral bezig met beken in Oost-Nederland. ‘Daar is voor 140 miljoen euro aan herstelmaatregelen ingezet. Maar het helpt niet. We nemen wel maatregelen, maar geen effectieve.’

Oorzaak daarvan is volgens de bijzonder hoogleraar de cultuur. ‘We hebben een cultuur van inspanningsverplichting in plaats van resultaatverplichting. Waterbeheerders kunnen zeggen: “Ik heb zo- en zoveel kilometer beek afgegraven, dus het doel is behaald.” Het is een echte doen-cultuur. Terwijl er niet naar het effect wordt gekeken.’

Onderzoek naar effecten van herstelmaatregelen is volgens hem marginaal. ‘Er wordt wel gemonitord, maar dat is geen onderzoek. Bovendien worden er niet altijd relevante dingen gemeten, of juist op een verkeerde manier. Een waterbeheerder kan ‘s ochtends in de ene beek beginnen met meten en ‘s avonds bij de zoveelste eindigen, en dan heeft hij de zuurstofniveaus in de beken in kaart gebracht. Totaal niet relevant, want iedereen weet dat het zuurstofniveau fluctueert over de dag.’

Verdonschot is een sterk voorstander van experimenten. ‘Breng het veld in het lab. Dat is lastig uit te leggen aan het waterschap, maar in het lab kun je systemen heel doelmatig onderzoeken. In onze kunstbeken kunnen we tal van factoren variëren en hebben we aangetoond dat de fitness van soorten veel hoger wordt als de heterogeniteit in het systeem stijgt. Dat hebben we vertaald naar de praktijk door dood hout in beken te plaatsen. Dat kost bijna niets en zorgt voor een gigaversterking van de biodiversiteit. Over een paar weken gaan we ook kokerjuffers terugbrengen in de beken, die vervullen een heel specifieke functie in het systeem.’

Verdonschot is geen voorstander van herstelmaatregelen om specifieke doelsoorten terug te brengen of te behouden. ‘Ik geloof niet in gemeenschappen. Andere soorten kunnen prima eenzelfde functie vervullen. Het gaat om eigenschappen van soorten. Onder welke omstandigheden kunnen soorten leven? Van daaruit kun je voorspellingen doen over de toekomst.’

Geduld
Doel van herstel is wat hem betreft dan ook geen terugkeer naar het oude of natuurlijke. ‘We willen in Nederland koste wat kost half-agrarische landschappen behouden, maar dat is niet interessant. Veel watergebieden zijn nu te dynamisch voor veel soorten; die dynamiek moeten we dempen. Maar het maakt niet uit als we daarbij nieuwe milieus creëren, in nieuwe constellaties. Dat is mij evenveel waard, als het een biodiversiteitsdoel dient. Het gaat om een gezond functionerend ecologisch systeem.’

Een beetje geduld kan daarbij geen kwaad, zegt Verdonschot; herstel is nu vaak te snel en ingrijpend. ‘We moeten meer geduld hebben. Het heeft geen nut beken drastisch af te graven tot een maagdelijke vlakte waaruit een beek moet ontstaan; we hebben aangetoond dat dat minstens veertig jaar duurt. We zijn doorgeslagen in het hermeanderen van beken. Natuurlijk herstel komt ook met de tijd. Het gaat bij het nemen van herstelmaatregelen om dat deel van het gebied dat niet uit zichzelf herstelt, of pas op een schaal van honderden jaar. Dan kunnen we een handje helpen.’

Onderzoek is bij herstelmaatregelen volgens hem cruciaal, bijvoorbeeld aan verspreidingsmechanismen van insecten. ‘Daar weten we nog maar heel weinig van. Het is een grote misvatting dat insecten goed kunnen vliegen. Pas als je weet of en hoe soorten zich verspreiden, kun je voorspellingen doen over de natuurlijke terugkeer van soorten.’

Dergelijke kennisontwikkeling gaat in Nederland achteruit, stelt Verdonschot. ‘We hebben nieuwe kennis nodig om te innoveren in waternatuur en -kwaliteit. Die kennis is exporteerbaar en er is grote vraag naar in het buitenland. Nederland heeft wat betreft kennis over waterkwaliteit best veel te bieden, al doen we het zelf in de praktijk niet goed. Dat komt doordat kennisdoorstroming tussen wetenschap en waterschap ontbreekt. Aan de biologenkant is er veel kennis; we moeten meer gebruiken wat we weten.’

Dat blijkt in de praktijk moeilijk, ondervindt hij. ‘Binnen waterschappen hebben maar weinig biologen bestuurlijke of beleidsmatige posities.’

Verdonschot gaat zijn nieuwe leerstoel met name inzetten om die kennisdoorstroming te bevorderen. ‘In elk geval de komende vijf jaar. Mijn persoonlijke doel is een wetenschappelijke meerwaarde aan het waterschap geven. Aan de biologenkant moeten we kijken wat soorten nu echt nodig hebben en daar moeten we de hydrologie en morfologie op aanpassen. Problemen moeten we wetenschappelijk gaan benaderen.’