artikel afdrukken
bionieuws 19, 23-11-2013

interview
‘Meneer groot wild’ neemt afscheid

Groot wild groeit uit de toegewezen gebieden, maar draagvlak voor verbindingszones ontbreekt. Wildecoloog Geert Groot Bruinderink: ‘Maar we moeten er wel iets mee.’

Door Jeroen Scharroo
© bionieuws


Bij het horen van de bijnaam ‘meneer groot wild’ steekt Geert Groot Bruinderink direct van wal. ‘Na 35 jaar ecologisch onderzoek leer je steeds meer dat je lang niet alles begrijpt. Je beseft steeds meer dat veel draait om het stellen van de juiste vragen, en in toenemende mate stel ik mezelf de vraag wat de rol is van al het onderzoek dat we doen. In mijn geval: wat zou er met de wilde ganzen of grote zoogdieren in Nederland gebeurd zijn als ik – of we, je werkt altijd met een team – dat onderzoek niet had gedaan?’

Toch staat de scheidend Alterra-ecoloog wel degelijk bekend als een van de productiefste grootwildonderzoekers van Nederland van de afgelopen decennia. Hij begon zijn carrière met een afstudeervak naar zwijnenbeheer op de Veluwe, promoveerde in 1987 in Wageningen op ganzen – ‘Ook groot wild, ze wegen al gauw 3 of 4 kilo’ – en deed jarenlang onderzoek naar factoren die de verspreiding van wilde hoefdieren beïnvloeden, in binnen- en buitenland. Sinds deze zomer is hij opnieuw veelvuldig in het nieuws als wolvenexpert.

Groot Bruinderink: ‘Misschien hebben we het publieke debat wat geobjectiveerd met ons onderzoek. Als dat zo is, ben ik daar al heel blij mee.’ Veel onderzoek, vervolgt hij, wordt gedaan ter meerdere eer en glorie van de onderzoeker zelf. ‘Je kan je afvragen of we daar niet in zijn doorgeschoten.’

Toch toont hij zich niet ontevreden over de uitkomsten van zijn onderzoek. ‘We hebben intensief gekeken naar verbindingszones, met bijzondere aandacht voor wilde hoefdieren, en we zijn ver gekomen met onze adviezen.’ De wetenschappelijke argumenten om populaties met elkaar te verbinden heeft hij in zijn carrière vaak op een rijtje gezet. Vlot somt hij op. ‘Je wil geen kleine restpopulaties in Nederland. Die zijn kwetsbaar voor bijvoorbeeld de gevolgen van inteelt, voor rampen; er kan van alles gebeuren waardoor zo’n populatie uitsterft.’ Zodra dieren de mogelijkheid hebben zich te verspreiden en zo met andere populaties in contact te komen, zullen ze dat ook altijd doen, vertelt hij.

Op dit moment zijn er weinig grote zoogdiersoorten met een landelijke verspreiding, vervolgt Groot Bruinderink. Alleen de ree komt algemeen voor en mag zich redelijk vrij bewegen. Ook met het damhert gaat het goed, maar in tegenstelling tot de ree is deze soort niet overal welkom. ‘Maar we moeten er wel iets mee’, zegt de ecoloog: de dieren barsten bijna uit hun toegewezen gebieden. Iets soortgelijks geldt voor de wilde zwijnen die in Nederland rondlopen. ‘Ze breiden zich enorm in aantal uit, ook vanuit Duitsland. De vraag is hoeveel ruimte we ze willen en kunnen geven.’

Dan zijn er nog op twee plaatsen edelherten: op de Veluwe en in de Oostvaardersplassen. De laatste noemt Groot Bruinderink een zorgelijk groepje. ‘Je ziet veel sterfte in het voorjaar. Voor mij is de reden nog niet helemaal duidelijk. Het is evident dat voedselgebrek een rol speelt, maar misschien is de genetische basis ook wel te smal. Combinaties van factoren kunnen een rol spelen.’

De tekeningen voor verbindingszones voor bijvoorbeeld edelherten liggen al lang op tafel, maar het vorige kabinet heeft een streep gehaald door een groot deel van de plannen. Ook doordat het natuurbeleid deels is gedecentraliseerd, ligt de uitvoering van verbindingszones zo goed als stil. Er is geen draagvlak meer voor, constateert Groot Bruinderink. ‘In de jaren 80 en 90 was er nog enthousiasme om iets met natuur te doen. Maar in al die tijd dat we onze plannen aan het ontwikkelen waren, zijn we als onderzoekers vergeten ons bezig te houden met draagvlak bij het publiek. En dan is het wachten op politici die daarop inspringen.’

Emotie
Met rationele argumenten de discussie proberen vlot te trekken, heeft soms weinig zin: het debat over groot wild wordt vaak gevoerd op basis van emotie, zegt Groot Bruinderink. Als voorbeeld haalt hij een overleg aan met Amsterdamse bestuurders over het wel of niet afschieten van damherten in de Waterleidingduinen. ‘Een van die mensen vertelde: “Als er hier op de Dam een duif een gebroken vleugel heeft, rukken er twee dierenambulances uit.”’ De realiteit is dat bestuurders in zulke omgevingen beslissingen moeten nemen, weet Groot Bruinderink, ‘Maar zelf snap ik daar he-le-maal niks van.’

De emotionele reactie van Nederlanders op groot wild kwam afgelopen zomer opnieuw aan het licht toen een dode wolf werd gevonden bij Luttelgeest. Groot Bruinderink was op dat moment al anderhalf jaar intensief bezig met wolvenonderzoek: hij werkte aan een wolvenplan met adviezen over hoe om te gaan met de dieren wanneer ze eenmaal de Nederlandse grens zijn overgestoken. Alle reacties zag hij voorbijkomen: van roodkapjeverhalen tot politici die riepen ‘We schieten die wolven bij de grens kapot.’ Over dat laatste is hij zichtbaar verontwaardigd: ‘Dat is gewoon illegaal.’

Toch werd Groot Bruinderink ook positief verrast door de houding van de betrokkenen die hij sprak voor zijn wolvenplan, van schapenhouders tot ANWB. ‘Iedereen zegt: die wolf komt, laten we er het beste van maken.’ Hij hoopt na zijn pensionering enkele uren per week aan de slag te kunnen voor een centraal wolvenbureau, dat hij in het plan voorstelt. ‘Ik heb veel zin om daar nog mijn steentje aan bij te dragen.’