artikel afdrukken
bionieuws 13, 31-08-2013

achtergrond
De betwiste wildernis

De Oostvaardersplassen worden bevolkt door grote kuddes paarden en edelherten. Maar betekent dit ook dat er nieuwe wildernis is ontstaan?

Door Gert van Maanen
© bionieuws


Zijn de Oostvaardersplassen ‘een ongerept stuk wildernis in de drooggelegde Flevopolder dat model staat voor de Nederlandse deltanatuur’ of ‘een overbevolkte dierengevangenis’. Zulke uiteenlopende oordelen – respectievelijk afkomstig uit een persmap en een weblog - illustreren de langlopende controverse en polemiek die rond het gebied opgang doen. Die gaat vooral over de enorme aantallen grote grazers in het gebied. Terwijl de een deze aantallen juist ziet als een bewijs dat de natuur zich prima zelf kan redden, zien anderen overbegrazing en maken ze zich zorgen over de hoge sterfte en dierenleed. Bij het verschijnen van de speelfilm De Nieuwe Wildernis, die 26 september in Nederlandse bioscopen gaat draaien, dringt de vraag zich op óf er wel sprake is van wildernis in de Oostvaardersplassen.

‘Niet alleen zeldzaamheid, maar ook massaliteit van een soort heeft waarde’, stelt ecoloog Frans Vera, nu directeur van de Stichting Natuurlijke Processen en oud-medewerker van Staatsbosbeheer. De geestelijk vader van de inzet van grote grazers in de Oostvaardersplassen verbaast zich hooglijk over de verbeten discussie die dit steeds weer oplevert. ‘De verklaring ligt denk ik in hardnekkige natuurbeelden, die blijkbaar ook biologen het gevoel geven dat het gewoon niet kan. Ze zien de aantallen edelherten en konikpaarden in dit gebied en geloven hun eigen ogen niet. De groei van de populaties heeft ook mijn oorspronkelijke verwachtingen overtroffen, maar dit soort dichtheiden kun je dus krijgen op voedselrijke kleigronden.’ Het toont volgens hem aan dat mensen moeite hebben de rol van de mens in de natuur weg te denken. ‘Dat is onzin, want de natuur kan best zonder de mens, maar de mens kan niet zonder natuur. Het gebied was bedoeld voor het vestigen van industrie en boeren, maar de ganzen hebben het spontaan in bezit genomen. De heckrunderen, konikpaarden en later ook edelherten zijn uitgezet om de ganzen te helpen het moerasdeel open te houden’, aldus Vera. ‘Ganzen hebben ook graslanden nodig en die scheppen de grote grazers. Zonder grote grazers zouden er geen grazende ganzen in het moeras zijn. Dan stort het hele systeem als een kaartenhuis in elkaar en verdwijnen alle vogelsoorten die men daar wil behouden.’

Sleutelrol
Een belangrijk twistpunt onder onderzoekers blijft de hypothese van Vera dat Europa, voordat de mens zich er vast vestigde, uit een mozaïek van graslanden, struiken, struwelen, bosschages en bomen bestond. Dus niet het aaneengesloten oerbos dat standaard als climaxvegetatie bekend staat. Grote wilde hoefdieren als oerossen en wilde paarden speelden volgens hem een sleutelrol in de ontwikkeling en het in stand houden van dit mozaïek. Hij verwoordde dit idee ook in zijn proefschrift Metaforen voor de wildernis, waarop hij in 1997 in Wageningen promoveerde, en het boek Grazing Ecology and Forest History.

Volgens de Leidse archeoloog Leendert Louwe Kooijmans kan de Vera-hypothese de toets met de prehistorie niet doorstaan. Uit pollenanalyses en vondsten van prehistorische botfragmenten zou blijken dat de begroeiing van het vasteland in West-Europa voor de komst van de landbouw overwegend uit bos bestond en wilde grote grazers als paard en oerrund relatief weinig voorkwamen (De Levende Natuur, maart 2012). Hij vindt dat natuurbeheerders zich voor het introduceren van grote grazers niet kunnen beroepen op het streefbeeld van oernatuur. Ook de paleo-ecoloog Bas van Geel van de Universiteit van Amsterdam vindt de theoretische basis onder Vera’s graashypothese uiterst smal. ‘Ieder jaar ga ik voor een studentencursus over dit onderwerp met Vera in debat. De pollendiagrammen lijken zijn verhaal tegen te spreken, maar hij is er erg goed in je aan het twijfelen te brengen. In hoeverre zegt de aanwezigheid van pollen van eiken en hazelaar dat het landschap open was, of het vrijwel ontbreken van graspollen dat het bos was? Ik denk dat we dat nog niet met grote zekerheid kunnen zeggen. We hebben daarom recent bij NWO een onderzoeksvoorstel ingediend om dat nu eens echt uit te zoeken, door in de analyses een combinatie van insecten, stuifmeel en zaden te betrekken. Voor mij staat in ieder geval als een paal boven water dat open mozaïeklandschap in Europa, voor de komst van boeren, geen dominant landschapstype is geweest’, aldus Van Geel.

Emeritus hoogleraar ecologische botanie Eddy van der Maarel is nog kritischer over de wildernistheorie en de inzet van grote grazers in natuurbeheer. In een tien pagina’s lang opinieartikel op zijn website http://www.vandermaarelarteco.nl voert hij aan dat er vaak geen onderbouwing is voor de oorspronkelijke prehistorische situatie. Ook is nieuwe natuur volgens hem nauwelijks natuurlijker dan de vaak verfoeide half-natuurlijke cultuurlandschappen. Alleen door het ontbreken van predatoren is het systeem al onnatuurlijk. ‘Echte wildernis is per definitie al niet mogelijk omdat je altijd uitgaat van een door de mens beïnvloede uitgangssituatie. Ook op de Waddeneilanden zijn natuurlijke ontwikkelingen het resultaat van vroeger menselijk ingrijpen. Mijn overtuiging is dat je moet accepteren dat er in Nederland geen “wildernis” mogelijk is en dat alle energie en middelen daaraan besteed slecht besteed zijn’, licht Van der Maarel toe.

De Groninger hoogleraar ecologie en natuurbeheer Han Olff is een stuk positiever over grote grazers en de situatie in de Oostvaardersplassen. Als lid van de Internationale Commissie Evaluatie Beheer van de Oostvaardersplassen kent hij het gebied relatief goed. ‘Over grote grazers wordt veel geroepen, maar daarvan is maar weinig goed onderbouwd’, constateert Olff. Of het gebied de term wildernis verdient is volgens hem niet zo relevant. ‘De begrazers kunnen het gebied nu niet in of uit, maar de vogels wel. Belangrijker is dat de processen in het park wel natuurlijk zijn. In dat opzicht is het een nieuw en waardevol ecosysteem. De grauwe ganzen houden het moeras open en de grazers zijn geïntroduceerd om de ganzen te faciliteren. Om het gebied open te houden en meer heterogeniteit te geven. Dat hebben ze goed gedaan.’

Landbouwgrond
De enorme dichtheden konikpaarden en edelherten, die zich volgens recente cijfers nu lijken te stabiliseren, zijn volgens Olff eigenlijk een mysterie. ‘De dichtheden zijn hoger dan in de veehouderij met intensieve mestinjectie in de bodem. Wat er in de bodem precies gebeurt weten we niet. Wat dat betreft is het enorm jammer dat er zo weinig echt wetenschappelijk onderzoek in de Oostvaardersplassen is gedaan.’

Olff heeft wel een mogelijke verklaring waarom de kleinschalige vegetatie-heterogeniteit in het gebied wat tegenvalt, zeker vergeleken met effecten van begrazing in riviergebieden. ‘Het intensief begraasde deel van de Oostvaardersplassen is oorspronkelijk cultuurtechnisch ontwikkeld om er landbouwgrond van te maken, waardoor de heterogeniteit in de bodem grotendeels is verdwenen. De grazers moeten het doen met een beperkt palet aan abiotische factoren. Variatie in vegetatie ontstaat juist door wisselwerking tussen abiotische variatie en grazers. Het is alsof je Rembrandt alleen witte en zwarte verf geeft. Dan moet je niet klagen als de Nachtwacht wat minder kleurrijk uitpakt. En we moeten geduld hebben: een veertig jaar oud ecosysteem staat gewoon nog in de kinderschoenen.’


Kader: De Oostvaardersplassen in cijfers
6.000 hectare oppervlak, waarvan 1.600 water, 2.000 riet en 2.400 gras en bos
200.000 bezoekers per jaar
32 heckrunderen werden uitgezet in 1983. 20 Konik-paarden volgden in 1985, en 57 edelherten in 1992-1993
300-310 heckrunderen, 1080-1110 konikpaarden en 3150-3350 edelherten werden geteld bij een helicoptertelling in 2012
98 heckrunderen, 303 konikpaarden en 980 edelherten stierven in de winter van 2011-2012