artikel afdrukken
bionieuws 8, 05-05-2012

brieven
De natuurbescherming heeft haar onschuld verloren

Door Helias A. Udo de Haes en Geert R. de Snoo, Emeritus hoogleraar en hoogleraar bij het Centrum voor Milieu-wetenschappen van de Universiteit Leiden
© bionieuws


Ruim twintig jaar geleden werd in het Natuurbeleidsplan het voorstel gedaan voor een Ecologische Hoofdstructuur als grootschalig netwerk van natuurgebieden. Toen waren de verbindingen tussen de gebieden nog bescheiden, in 2000 werden de robuuste verbindingen aan het plan toegevoegd. Parallel hieraan ontstond ook een stevig natuurbeleid op Europees niveau, uitmondend in Natura 2000, het grootschalige Europese netwerk van natuurgebieden.

Met deze instrumenten is in ons land veel bereikt. Na 1990 is het oppervlak van bos en natuur voor het eerst weer toegenomen, van circa 4500 vierkante kilometer in 1993 tot 4850 vierkante kilometer in 2008. Nog bescheiden, maar toch. Tot 2000 was er vooral toename van bosareaal, daarna nam het oppervlak open natuurlijk terrein vooral toe. Verder kwamen er veel grootschalige verbindingen tussen natuurgebieden. Zo zijn inmiddels negentien ecoducten over rijkswegen aangelegd of in uitvoering, en vijf over provinciale wegen. De boommarters bij het Naardermeer laten zien dat die ook effectief zijn. En de achteruitgang van plant- en diersoorten is sinds 1990 met name in de natuurgebieden zeker verminderd. Ofwel, we moeten onze zegeningen tellen.

Technisch is het de afgelopen 20 jaar in feite dus heel goed gegaan, maar in maatschappelijk opzicht is dat niet het geval. Er wordt in brede kring onvrede gevoeld over de huidige natuurbescherming. Die richt zich naar onze mening vooral op twee punten: de methoden van verzet tegen aantasting van de natuur, en de aanpak van het natuurbeheer zelf.

Juridisch
Acties vanuit de samenleving tegen natuurbedreigende projecten worden steeds meer in het kader van juridische procedures gevoerd, in plaats van dat ze gericht zijn op een be´nvloeding van de openbare besluitvorming. Het juridisch gelijk is dan veelal aan de kant van de natuurbescherming, maar het maatschappelijke draagvlak is maar al te vaak afwezig. Een duidelijk voorbeeld vormt de procedure tegen het fietspad op de Westerscheldedijk. De geplaatste hekken die dat fietspad moesten afsluiten werden verschillende keren door gefrustreerde bewoners gesloopt. Bij juridische procedures als deze gaat het bovendien vaak om formeel beschermde soorten zoals de gewraakte zeggekorfslak. Voor de modale natuurliefhebber liggen die buiten de belevingssfeer. Voor het bedrijfsleven is het een bijna onneembare hindernis om in het natuurbeheer te participeren.

Wat het natuurbeheer zelf betreft worden veel problemen ervaren met de zogenoemde nieuwe natuur, vaak verbonden met de inzet van de grote grazers. Op zich heeft dat beheer zeker een nieuwe dimensie aan onze nationale natuur gegeven: de Ooijpolder en Millingerwaard zijn prachtig. Maar het roept ook weerstanden op. Het afgerasterde gebied binnen de Amsterdamse Waterleidingduinen doet in de zomer eerder aan een gladgeschoren golfterrein denken dan aan een duingebied. Voor de flora schijnt de begrazing daar niet slecht te zijn, maar je moet als wandelaar wel van kiemplanten houden. Het rooien van bossen om meer divers bos te laten ontstaan, zoals kortgeleden in het Herperduin bij Oss, of om het bos om te vormen in een heidegebied, zoals ten zuiden van Nijmegen, is goed bedoeld, maar vindt op een top-down manier plaats en blijkt desastreus te zijn voor het draagvlak bij de plaatselijke bevolking. Voor het laten verhongeren van beheersrunderen in afgerasterde gebieden geldt ditzelfde op nationale schaal. We stellen vast dat met het krachtiger worden de natuurbescherming tegelijk zijn onschuld heeft verloren.

Het Planbureau voor de Leefomgeving gaat in Natuurverkenning 2010-2040 in op deze ontwikkelingen. Dit is een belangwekkende nota die tot nu toe te weinig aandacht heeft gekregen en die zeker verhelderend kan werken bij het vormgeven van het toekomstige natuurbeleid.

Bezien vanuit de optiek van het onderzoek is onze stelling is dat het natuuronderzoek een veel sterkere sociaalwetenschappelijke component moet krijgen. De kernvraag is die naar het maatschappelijke draagvlak voor natuurbeleid en natuurbescherming. Waardoor is het draagvlak verminderd?

Is dat overal even sterk het geval, en welke factoren spelen daarbij een rol? Het onder water zetten van grote stukken land in het rivierengebied in Brabant gaat kennelijk in goede harmonie. Een speciale vraag is hoe we weg kunnen komen uit de juridische klem. Hoe kan de natuur weer worden teruggegeven aan de mensen in de streek, met behoud van de landelijke en de Europese verantwoordelijkheden? Hoe kan de natuur weer zijn plaats terugkrijgen midden in onze verstedelijkende samenleving?