artikel afdrukken
bionieuws 16, 15-10-2011

nieuws
Natuur verdient een eerlijke prijs

Ecosysteemdiensten zijn een populaire manier om de waarde van natuur inzichtelijk te maken. Maar het vraagt om goede communicatie: ‘Een prijs hangen aan biodiversiteit betekent niet dat je het verhandelt.’

Door Gert van Maanen
© bionieuws


Een prijs berekenen voor ecosystemen is omgeven met veel controverses. Toch is het volgens sommige ecologen nodig om economen en beleidsmakers rekening te laten houden met natuur en milieu. ‘Er is een grote noodzaak om de bijkomende zogeheten externe effecten van ons handelen te internaliseren in de economie. De huidige marktprijs legt de rekening bij toekomstige generaties. Als er echt eerlijk wordt geprijsd, verandert natuurbeheer haast vanzelf van lastige onkostenpost naar winstgevende investering’, zegt Dolf de Groot van de Wageningse leerstoelgroep milieusysteemanalyse en een van de pioniers in dit nieuwe wetenschapsgebied. Hij was van 4 tot 7 oktober voorzitter van de internationale conferentie Ecosystem Services, integrating Science to Practice waaraan maar liefst 265 mensen uit alle werelddelen deelnamen.

De welhaast exponentiële groei in aantal publicaties illustreert de toenemende populariteit van ecosysteemdiensten in de wetenschap. De Amerikaan Bob Costanza, hoogleraar ecologische economie aan Portland State University en conferentie-inleider, is een van die publicatiekanonnen. Zijn omslagartikel van 1997 in Nature geldt als een klassieker. ‘De titel op de omslag – Pricing the Planet – heeft helaas tot veel misverstanden geleid’, erkent Costanza nu. ‘Een prijs aan biodiversiteit hangen, betekent nog niet dat je het ook op de markt gaat verhandelen. Natuur en biodiversiteit blijven gemeenschapsgoederen, maar hebben wel degelijk een economische waarde’, aldus Costanza. Het is volgens hem nodig dat de mensheid evolueert van Homo economicus, puur gericht op efficiëntie, tot Homo naturalis, die duurzaamheid als uitgangspunt neemt.

Een eerste stap is de erkenning dat ecosystemen mensen diensten leveren, in de vorm van bijvoorbeeld lucht- en waterzuivering, recreatie, gewasbestuiving of het onderdrukken van ziekten en plagen. Volgens Costanza zijn er inmiddels voldoende regionale studies die deze diensten overtuigend aantonen en kwantificeren. ‘Uit onderzoek aan de Mississippi-delta blijkt dat wetlands bescherming bieden tegen stormen. Het verlies van een hectare wetland leidt gemiddeld tot een toename van 33 duizend dollar aan stormschade. Extrapoleer je dat naar alle wetlands in kustgebieden dan heb je het over 23,2 miljard dollar aan stormprotectie per jaar.’ De grote uitdaging voor onderzoekers is volgens Constanza de modellen op een goede manier aan elkaar te koppelen en kostenplaatjes op te schalen naar nationale of zelfs mondiale schaal.

De in oktober 2010 gepubliceerde TEEB-rapporten, een afkorting van The Economics of Ecosystems and Biodiversity, zijn volgens de Wageningse De Groot een goed beginpunt voor nationale studies. Het leggen van de link met het beleid ziet hij als een van de grote opgaven. ‘De Nederlandse overheid trekt zich helaas terug uit natuurbeheer met het idee dat het allemaal te kostbaar is. Terwijl de bulk aan bewijslast er echt op wijst dat investeringen in natuur meer opleveren dan ze kosten, als je tenminste eerlijk bent over alle baten.’

Zelf berekende De Groot dat het openzetten van de Haringvlietsluizen netto 500 miljoen euro per jaar oplevert aan ecosysteemdiensten voor bijvoorbeeld scheepvaart, recreatie en visserij. ‘De Zeeuwse media vonden dat absurd: dat een hectare van het achterliggende wilgenbos vijf keer zoveel waard is als een hectare landbouwgrond. Het is voor veel mensen even wennen, als je eerlijk gaat rekenen.’