artikel afdrukken
bionieuws 11, 26-06-2011

brieven
Bescherming biodiversiteit als voorwaarde inkomenssteun boeren

Door Geert R. de Snoo & Helias A. Udo de Haes
© bionieuws


Op dinsdag 7 juni verscheen een advies van de Raden voor de Leefomgeving en Infrastructuur (VROM-raad, Raad Landelijk Gebied en Raad VenW, redactie) over de nu lopende herziening van het Europese landbouwbeleid. De Raden maken duidelijk dat dit beleid rekening moet houden met steeds forsere eisen vanuit de samenleving, met name met betrekking tot duurzaamheid.

Maar tegelijk bepleiten de auteurs dat de overheid zich zo snel mogelijk moet terugtrekken. Steun mag alleen maar tijdelijk zijn, tenzij het om publieke diensten gaat waarvoor de EU verantwoordelijk is. Bij deze marktvisie past in feite dat biodiversiteit in het landelijk gebied in het advies nauwelijks aandacht krijgt. De Raden maken hierover één interessante opmerking: de mogelijkheid van een verplichte vergroening van het landbouwgebied. Als voorbeelden noemen ze daarbij akkerranden, een groene dooradering van akkers, natuurvriendelijke oevers en een verruimde vruchtwisseling. Dit punt verdient nadere aandacht.

We moeten deze opmerking zien tegen de achtergrond van de twee pijlers van het Europese landbouw-beleid. De eerste betreft inkomenssteun voor boeren. Om steun te krijgen moeten boeren nu alleen voldoen aan eisen op het gebied van voedselkwaliteit, milieu en dierenwelzijn. De tweede pijler betreft vrijwillige maatregelen op gebied van plattelandsontwikkeling. Maatregelen voor biodiversiteit vallen tot dusver in deze vrijwillige categorie, waarvoor extra wordt betaald. De Raden noemen nu de mogelijkheid om verplichte, voor alle boeren geldende voorwaarden voor biodiversiteit te stellen, waartegenover geen extra inkomen staat. Staatssecretaris Bleker deed overigens kortgeleden een soortgelijk voorstel. Maar noch door hem, noch door de Raden is dit idee nader uitgewerkt.

Houtwallen
Wat is er mogelijk in de eerste pijler op het gebied van biodiversiteit? Het moet om algemene voorwaarden gaan, die voor alle landen gelden, makkelijk controleerbaar zijn, en een groot maatschappelijk draagvlak hebben. We doen drie voorstellen. Deze zijn niet op specifieke soorten en ecosystemen gericht, die vallen immers onder de tweede pijler.

Als eerste stellen we voor dat een minimumpercentage van het bedrijfsoppervlak extensief wordt beheerd, dat wil zeggen zonder mest en bestrijdingsmiddelen en zonder verstoring. Daaronder vallen perceelsscheidingen zoals sloten, slootkanten en houtwallen, maar ook poelen en andere kleine natuurelementen. Dit zijn plaatsen op het bedrijf waar de natuurwaarde het grootst is, en die sterk bijdragen aan de belevingswaarde van het landschap. In Zwitserland bestaat een dergelijk systeem al, met een minimumoppervlak van 7 procent. In ons land is het extensief beheerde oppervlak op akker- en weidebedrijven ongeveer 2 tot 3 procent. Dat is echt te weinig als gezonde basis voor biodiversiteit in het buitengebied; wij stellen een minimum voor van 5 procent.

Ten tweede kunnen ook algemene eisen worden gesteld aan het beheer van de percelen zelf; veel vogels en zoogdieren zijn hier voor hun voedsel en dekking van afhankelijk. Door mogelijke conflicten met de bedrijfsvoering is dit het lastigste onderwerp. Voor grasland zouden hier maatregelen passen als het beperkt scheuren en deels laat maaien van percelen. Voor akkers valt te denken aan een voldoende hoog organisch-stofgehalte in de bodem en voldoende winterbedekking.

Stallen
Tenslotte bepleiten we maatregelen voor de boerderijen zelf. Voorbeelden daarvan zijn eisen aan de kwaliteit van gebouwen en erfbeplanting en aan toegang tot stallen voor vogels als zwaluwen en uilen. Uitloopmogelijkheden voor dieren uit stallen en beschutting voor het vee zijn van belang voor biodiversiteit én dierenwelzijn.

Staatssecretaris Bleker heeft zich tot nu toe niet geliefd gemaakt bij de natuurbescherming. Maar het huidige voorstel van hem en de Raden biedt de kans om aan biodiversiteit in het landelijk gebied een solide plaats in het Europese landbouwbeleid te geven. Dat verdient steun.

Geert R. de Snoo is hoogleraar agrarisch natuur- en landschapsbeheer aan Universiteit Wageningen , Helias A. Udo de Haes is emeritus hoogleraar milieukunde aan Universiteit Leiden