artikel afdrukken
bionieuws 7, 17-04-2010

brieven
Oostvaardersplassen gebaat bij catastrofes

De sterfte van grote grazers in de Oostvaardersplassen leidde tot veel commotie. Maar afname van de begrazingsdruk is juist welkom voor de biodiversiteit van het gebied. Ecoloog Theo Vulink pleit voor kunstmatige catastrofes.

Door Theo Vulink
© bionieuws


In de relatief strenge winters van vorig jaar en dit jaar is de sterfte onder runderen, paarden en edelherten in de Oostvaardersplassen met minder dan 25 procent niet uitzonderlijk hoog. Desondanks besloot de demissionaire minister Verburg onder druk van boeren, burgers en buitenlui tot bijvoeren. Volgens ecologen een kortzichtig en hypocriet besluit, dat vooral op emoties is gebaseerd. Als onderzoeker van de rol van grote grazers in ecosystemen deel ik deze mening volledig. De nadruk ligt in de discussie alleen op het dilemma tussen dierenwelzijn en natuurlijkheid; de betekenis van grote grazers voor de biodiversiteit blijft nagenoeg buiten beeld. In dit jaar van de bio-diversiteit is enige aandacht hiervoor op zijn plaats.

Voor de ecologie en biodiversiteit van het zoetwatermoeras in de Oostvaardersplassen zou een incidentele afname van het aantal grote grazers met 75 procent welkom zijn. Maar dat is maatschappelijk gezien niet acceptabel. Hier ligt het dilemma tussen dierenwelzijn en natuurlijkheid, tussen zo min mogelijk ingrijpen en biodiversiteit. Hoe indrukwekkend ook, heckrunderen, konikpaarden en edelherten vormen slechts drie van de vele dier- en plantensoorten die in het gebied voorkomen. Door vraat, betreding en bemesting spelen ze echter een cruciale rol in de ecologie van het zoetwatermoerassysteem. Begrazing vormt samen met de waterpeildynamiek het belangrijkste proces waar dit zoetwatermoerassysteem op draait.

En juist hier gaat het fout. Uit de evaluatie van de monitoringsgegevens van de afgelopen tien jaar blijkt dat zowel de waterpeildynamiek als de variatie in begrazingsdruk gering is in de Oostvaardersplassen. Hierdoor neemt de biodiversiteit af. In de randzone nemen ruigte, riet en struweel af en is een toename te zien van korte, grazige vegetatie. Dit leidde tot een afname van tal van vogelsoorten, zoals steltlopers, lepelaars en kiekendieven.

Catastrofes
Het is juist die unieke diversiteit van aan wetland gebonden vogelsoorten waaraan de Oostvaardersplassen hun faam ontlenen en die het gebied internationale betekenis als Natura 2000-gebied geeft.

Zonder ingrijpen verliest een jong systeem als de Oostvaardersplassen door successie snel zijn bijzondere waarden. In het beheer is ervoor gekozen de waarden van het gebied op een zo natuurlijk mogelijke manier te behouden. De sleutel hiervoor ligt in incidentele catastrofes. De essentie van een catastrofe is dat van tijd tot tijd de ecologische klok wordt teruggezet. Wanneer natuurlijke catastrofes zoals overstromingen of perioden van overbegrazing achterwege blijven, zijn kunstmatige catastrofes nodig. Hiermee worden bijvoorbeeld de gevolgen van een extreme ziekte of klimatologische omstandigheden gesimuleerd. Voor het simuleren van extreme weersomstandigheden zijn verschillende opties denkbaar. Een meerjarige, relatief droge periode kan worden gesimuleerd door het waterpeil in de moeraszone minimaal vier jaar laag te houden. Dit is in het verleden succesvol gebleken voor herstel van waterriet, het belangrijkste habitattype in de moeraszone. Een dergelijke ingreep zou slechts eens in de twintig jaar uitgevoerd hoeven worden. Overstromingen kunnen worden nagebootst door een overslagdijk te maken van de dijk tussen het Markermeer en de Oostvaardersplassen. Hierdoor zijn hoge waterstanden in de Oostvaardersplassen niet alleen afhankelijk van regenval, maar ook van opwaaiend water van het Markermeer; extra dynamiek in het waterpeil wordt zo gerealiseerd.

Variatie in begrazingsdruk ligt wat lastiger. De afgelopen vijftien jaar is gebleken dat de sterfte niet hoger zal zijn dan ongeveer 25 procent bij een systeem van niet ingrijpen. Geboorte en sterfte zijn nagenoeg in evenwicht. Hierdoor blijft ook de begrazingsdruk nagenoeg constant. Voor verhoging van de biodiversiteit is een sterke verlaging van de begrazingsdruk nodig, bij voorkeur met ongeveer 75 procent. Dat betekent een afname van vierduizend naar duizend dieren. Bij deze lage begrazingsdruk krijgen riet en ruigte de gelegenheid zich uit te breiden richting het korte grasland. Ook houtigen worden dan aan vraat onttrokken, zodat ze zich kunnen vestigen. Dit leidt tot een grotere variatie in habitats voor vogelsoorten en muizen, die op hun beurt voedsel zijn voor predatoren zoals marterachtigen, reigers en kiekendieven. Door geleidelijke toename van het aantal grazers zal de begrazingsdruk weer groter worden, waardoor de randzone niet helemaal dichtgroeit. De ingreep heeft bovendien een positief effect op dierenwelzijn. Bij een lage begrazingsdruk gaan de grazers met een betere conditie de winter in. Door een groter voedsel aanbod hoeven ze pas later in de winter in hun vetreserves aan te spreken.

Aangezien een verlaging van de begrazingsdruk met 75 procent niet door natuurlijke sterfte zal optreden – gezien de huidige commotie rond de sterfte van 25 procent – kan men ook kiezen voor het verplaatsten van dieren naar andere natuurgebieden of toestaan van afschot en verkoop als biovlees. Dit vraagt dan wel om een andere beheersfilosofie. Een dergelijke ingreep zou overigens slechts eens in de tien tot vijftien jaar uitgevoerd hoeven worden. De gemiddelde reproductie is namelijk 15 tot 20 procent. Dat betekent elke vijf tot zeven jaar een verdubbeling van het aantal dieren. Na tien tot vijftien jaar is de populatie van duizend dieren weer toegenomen tot het huidige aantal van vierduizend. Van uitbreiding van het gebied met Hollandse hout (900 hectare), Oostvaarderswold (1800 hectare) en Horsterwold (4000 hectare) moet dan ook geen wonderen worden verwacht. Uitbreiding zal dermate stapsgewijs gaan, dat de populatieontwikkeling zal anticiperen op de uitbreiding, waardoor de begrazingsdruk in de Oostvaardersplassen continue relatief hoog blijft.

Een laatste optie voor het variëren van de begrazingsdruk van het gebied is het onder water zetten van een groot deel van het nu droge grasland . De Oostvaardersdijk als overslagdijk kan hierbij van dienst zijn. De grote grazers zouden dan deels moeten uitwijken naar de hierboven aangegeven gebieden. De wetlandwaarde van de Oostvaardersplassen als geheel zal daardoor sterk toenemen. Dat zou een belangrijke nieuwe ontwikkeling zijn, gericht op de kernwaarden van het systeem en de moeras- en watervogels.

Theo Vulink is werkzaam als ecoloog. Hij was mede-projectleider van de evaluatie De Oostvaardersplassen natuurlijk! die in 2007 werd uitgebracht. In 2001 promoveerde hij in Groningen op het proefschrift Hungry herds, dat handelt over de rol van begrazingsbeheer in natte natuurgebieden.

Een korte versie van dit artikel verscheen op 13 april in de Volkskrant.