artikel afdrukken
bionieuws 2, 30-01-2004

stelling
Statistiek Groot Uitsterven rammelt

Door J.P.M. (Flip) Witte
Kiwa Water Research en Wageningen Universiteit

© bionieuws


Het recente artikel in Nature over het uitsterven van planten en dieren heeft grote ophef veroorzaakt. ‘Kwart soorten zal verdwijnen door snelle opwarming’. Wat moeten wij geloven van deze onheilstijding? Er zijn al zoveel rampen voorspeld die niet zijn uitgekomen. Bovendien: heeft de aarde de afgelopen duizenden jaren niet meer klimaatschommelingen gekend, zonder dat dat leidde tot massaal uitsterven? De vraag dringt zich op hoe hard de bewijzen zijn.

Hoe zijn de onderzoekers te werk gegaan? Om te achterhalen welke ‘eisen’ iedere soort stelt aan het klimaat hebben ze verspreidingsgegevens van soorten statistisch gecorreleerd aan klimaatvariabelen, zoals de jaarlijkse neerslag en de lengte van het groeiseizoen. Voor bijvoorbeeld vaatplanten in Europa werden gegevens uit de Europese Atlas gebruikt, waarin de aanwezigheid van soorten is weergegeven in ‘cellen’ van vijftig vierkante kilometer. Van iedere cel zijn ook klimaatsvariabelen bekend . Zo kunnen correlatieve relaties worden berekend tussen het voorkomen van soorten en het klimaat. Het toekomstige areaal van iedere soort werd berekend door die relaties te combineren met gegevens over het klimaat van 2050.

De voorspelde areaalveranderingen werden daarna omgezet in veranderingen in soortenrijkdom. Daartoe gebruikten de onderzoekers het gegeven dat het aantal soorten in een gebied vaak een exponentiële functie is van de geďnventariseerde oppervlakte. Voor de exponent kozen ze een waarde van 0,25 omdat deze in eerdere studies succesvol zou zijn gebleken.

Hoe de exponentiële functie moest worden gebruikt om veranderingen in soortenrijkdom te berekenen, wisten de onderzoekers niet. Ze probeerden daarom drie methoden, waarbij de functie werd gebruikt alsof deze het verband beschreef tussen de kans op voorkomen en het areaal van soorten.

Wat hapert er nu aan dit onderzoek? Allereerst zegt een correlatieve relatie niet altijd iets over een oorzakelijk verband. Zeker in dit onderzoek - waar belangrijke habitatfactoren als zoutgehalte, voedselrijkdom en zuurgraad buiten beschouwing zijn gelaten - is het risico van schijncorrelaties bijzonder groot. Je kunt bijvoorbeeld de verspreiding van veel plantensoorten aan de Nederlandse kuststrook correlatief verklaren vanuit het klimaat, dat daar immers significant afwijkt van de rest van Nederland. Die planten groeien daar echter omdat langs de kust kalkrijk duinzand voorkomt.

Ten tweede zijn verspreidingsgegevens niet altijd betrouwbaar. Dat geldt zeker voor de gegevens uit de Europese Atlas. Volgens die gegevens zijn rijke, dichtbevolkte landen zoals Nederland het meest soortenrijk. Dit komt echter doordat daar veel actieve floristen wonen, niet omdat die landen zo soortenrijk zijn. In correlatieberekeningen lijkt het nu of soorten hier hun klimaatsoptimum hebben. Het is ook geen wonder dat een enorme achteruitgang wordt berekend in minder goed geďnventariseerde landen van het voormalige Oostblok en langs de Middellandse Zee (waar ook randeffecten optreden: sommige soorten kunnen meer warmte verdragen, maar de zee vormt een zuidelijke barričre). In die landen is immers de berekende (!) kans op voorkomen al te laag onder de huidige klimaatcondities.

Ten derde het gebruik van de oppervlakte-soortenrijkdom-functie. De onderzoekers beginnen er al mee een voorspelde tóename van het areaal niet mee te tellen. Dat schiet aardig op. Verder is het zeer de vraag of deze exponentiële functie mag worden toegepast om de kans op uitsterven van individuele soorten te berekenen. Dat de soortenrijkdom met 16 procent achteruitgaat wanneer een natuurgebied de helft van zijn oppervlakte verliest, komt mede doordat met deze oppervlakteverkleining een aantal bijzondere milieus verdwijnt. Maar waarom zou de uitsterfkans van bijvoorbeeld de duindoorn 16 procent zijn wanneer zijn areaal twee keer zo klein wordt?

Ten vierde is die exponent van 0,25 discutabel. Zo’n waarde wordt misschien gevonden in kleine gebieden, maar bij de grote gebieden die soorten doorgaans beslaan, is hij vaak lager. In een begeleidend en wervend bedoeld artikel in hetzelfde Nature nummer staat nota bene een grafiek (over soorten in Engeland) met een exponent van 0,12. Als de auteurs deze waarde hadden genomen, zouden ze een twee keer zo kleine achteruitgang hebben berekend. Eigen onderzoek aan gegevens uit Duitsland en omringende landen levert een exponent op van 0,11 voor zoogdieren en reptielen, 0,13 voor broedvogels en 0,15 voor vlinders.

Tenslotte: het onderzoek is alleen gebaseerd op endemische soorten. Die zijn bijna per definitie kwetsbaarder voor milieuveranderingen. Daarom kan op basis van deze selectie geen uitspraak worden gedaan over achteruitgang van soorten in het algemeen.

Dat soorten zullen uitsterven door klimaatverandering is zeer betreurenswaardig. Dit laat echter onverlet dat wetenschappelijke conclusies gebaseerd moeten zijn op deugdelijke analyses, zeker wanneer aan de hand van die conclusies zoveel onheil wordt verkondigd