artikel afdrukken
bionieuws 13, 05-07-2008

achtergrond
Moeder Natuur is biseksueel

Seks tussen dieren van hetzelfde geslacht is het laatste taboe dat de biologie heeft doorbroken. Niets is natuurlijker dan homoseksualiteit – en niets dwazer dan roepen dat homoseksualiteit onnatuurlijk is.

Door Ludo Hellemans
© bionieuws


Een walvispenis in erectie is een onvergetelijk gezicht. Die van een blauwe vinvis, bijvoorbeeld, is ‘n dikke twee meter lang. Sommige natuurhistorische musea hebben er gedroogde exemplaren van in huis, maar deze verschrompelde stukken dood leer geven de levende werkelijkheid niet weer. Vroegere zeevaarders zagen de beweeglijke, roze glimmende walvispenissen wel eens aan voor zeeslangen die zich om walvissen heen slingerden. Een gevecht tussen walvissen en zeeslangen, dachten ze... in werkelijkheid keken ze naar het homoseksuele liefdesspel van mannelijke walvissen. Dat zoiets zou bestaan, was destijds zo ondenkbaar dat het onzichtbaar werd.

Homoseksueel gedrag bij dieren, dat wil zeggen seksuele gedragingen en ook paarvorming tussen dieren van hetzelfde geslacht, is een onderwerp waarvoor de biologie tot voor kort geen oog had. Pas in de jaren negentig van de vorige eeuw is daar verandering in

gekomen, onder meer door de boeken van primatoloog Frans de Waal waarin het biseksuele gedrag van bonobo’s en chimpansees uitvoerig wordt beschreven. Maar vooral door het opmerkelijke boek van de Amerikaanse bioloog Bruce Bagemihl, Biological Exuberance: Animal Homosexuality and Natural Diversity. Dit in 1999 gepubliceerde boek is nog het beste te typeren als een 750 bladzijden dikke catalogus van waargenomen seksuele gedragingen bij zo’n 1500 gewervelde en ongewervelde diersoorten die volgens de auteur als homoseksueel dienen te worden opgevat.


‘Pervers’
Bagemihl heeft zijn gegevens opgediept uit de biologische vakliteratuur van de afgelopen eeuw. Jarenlange titanenarbeid, want de beschreven gedragspatronen droegen meestal heel andere etiketten dan ‘homoseksueel’. In de publicaties uit de eerste helft van de twintigste eeuw trof hij nog kwalificaties aan als ‘pervers’ (homoseksuele kevers), ‘afwijkend’ (struisvogels) of ‘misplaatst’ (walvissen), maar in het algemeen werden seksuele handelingen tussen dieren van hetzelfde geslacht in de zoölogische vakliteratuur verhullend aangeduid als vecht-, begroetings- of verzoeningsgedrag. In Engelstalige publicaties komt men de aanduiding penis fencing tegen (fencing betekent schermen) voor het liefdesspel van mannelijke walvissen (de ontmaskerde ‘zeeslangen’). Ook mannelijke bonobo’s ‘schermen’ wel eens met hun penissen.

Tegenwoordig deinzen biologen er niet voor terug om op te schrijven dat mannetjesbonobo’s elkaar frequent manueel en oraal bevredigen.

Zo zijn er tal van voorbeelden van homoseksueel gedrag in het dierenrijk: vrouwtjesbonobo’s die hun vulva’s tegen elkaar wrijven, dolfijnenvrouwtjes die tegen elkaar aan drijven, een vin in de geslachtsspleet van de ander, mannetjesdolfijnen die hun penis in het blaasgat van een ander mannetje steken, mannetjesgiraffen die anaal copuleren (en daarbij ook ejaculeren), te veel om op te sommen. Bij een derde van de 1500 diersoorten waarbij homoseksuele gedragpatronen zijn waargenomen, zijn deze ook degelijk onderzocht en goed gedocumenteerd. Ook al bestaan er soms gegronde redenen voor scepsis (gaat het hier wel om seksueel gedrag?), één conclusie staat als een paal boven water: homo- en biseksualiteit is een volkomen

natuurlijk verschijnsel, want het komt

veelvuldig voor in het dierenrijk. Wie homoseksualiteit vandaag als ‘onnatuurlijk’ of

‘tegennatuurlijk’ bestempelt, kan zich onmogelijk beroepen op Moeder Natuur of op de biologie.


‘Tegennatuurlijk’
In het Natuurhistorisch Museum van Maastricht is deze zomer Against Nature? te zien, een expositie over homoseksualiteit in het dierenrijk (http://www.nhmmaastricht.nl). Het is een verkleinde versie van de gelijknamige tentoonstelling die in 2006 in het Naturhistorisk museum van de universiteit van Oslo veel bekijks had en ook aandacht kreeg van nieuwsmedia over de gehele wereld. En met reden, want deze tentoonstelling was de

repliek van biologen van de Universiteit van Oslo op de publiekelijke uitspraak van een gezaghebbende Noorse geestelijke dat homofilie tegennatuurlijk zou zijn.

Homoseksueel gedrag wordt veelvuldig waargenomen bij dieren in gevangenschap,

bijvoorbeeld in dierentuinen. Veel onderzoekers vinden dat gegeven significant, want dat wijst erop dat niet het gedrag maar de omstandigheden ‘tegennatuurlijk’ zouden zijn. Er zijn dan bijvoorbeeld te veel dieren bij

elkaar, of de leefruimte is te klein en te eentonig, of de getalsverhoudingen tussen de

seksen zijn te sterk uit balans. In sommige gevallen lijkt deze redenering op te gaan (bij orang-oetans in gevangenschap bijvoorbeeld komt homoseksualiteit vaker voor dan in het wild) maar in andere gevallen weer niet. Er is geen duidelijk verband tussen het voorkomen van homoseksualiteit en de ‘onnatuurlijkheid’ van de leefomstandigheden.

Is er een genetische grondslag voor homoseksualiteit (nature), is het puur een kwestie van cultuur (nurture), of spelen zowel nature als nurture een rol bij de bepaling van seksuele gerichtheid? Het feit dat homoseksualiteit in alle menselijke culturen voorkomt en bovendien in relatief stabiele frequenties, wijst op de betrokkenheid van een genetische component. In evolutiebiologisch opzicht lijkt deze aanname echter tamelijk paradoxaal: homoseksuele handelingen leiden immers niet tot bevruchting van eicellen en dragen dus niet bij tot de voortplanting. Om die reden vragen evolutiebiologen zich af hoe het komt dat deze gedragspatronen blijven bestaan, want volgens de traditionele vuistregels van de evolutiebiologie zouden gedragseigenschappen die niet bijdragen tot de instandhouding van de soort, vanzelf moeten verdwijnen.


Genetische basis
Met populatiegenetisch onderzoek bij de mens is in kaart gebracht hoe homo- en heteroseksualiteit in families voorkomt, en daar is nieuws te melden. Vorige maand verscheen een online-publicatie (PLoS ONE 18 juni) waarin een genetische basis wordt aangetoond van homoseksualiteit bij mannen. Het onderzoek borduurt voort op een aantal reeds bekende patronen wat betreft de vruchtbaarheid van vrouwelijke bloedverwanten van homoseksuele mannen. Opmerkelijk is dat vrouwen die verwant zijn met de moeder van een homoseksuele man significant meer kinderen krijgen dan andere vrouwen. Volgens de auteurs is dit te verklaren door het bestaan te veronderstellen van een gen dat bij mannen homoseksualiteit bewerkstelligt en dat van generatie op generatie wordt doorgegeven omdat het bij vrouwen de vruchtbaarheid verhoogt. Over vrouwelijke homoseksualiteit zegt dit onderzoek echter niets.