artikel afdrukken
bionieuws 14, 22-09-2006

interview
‘Geloof kan inspireren tot goede wetenschap’

Door Arno van 't Hoog
© bionieuws


Bevlogen, persoonlijk, open, een onderwijsdier, en iemand die niet bevreesd was om af en toe een eigenzinnig geluid te laten horen. Aan de VU wordt er met lovende woorden over prof. dr. Taede Sminia (60) gesproken. De rector magnificus was negen jaar als een toegankelijke burgervader van de Vrije Universiteit, die onder zijn leiding met 6500 zielen groeide. Na veertig jaar hard werken binnen de universiteit gaat hij het iets rustiger aandoen. Een gesprek over onderwijs, marktgericht onderzoek, evolutie, religie en verwondering over de natuur. ‘Ik mag best vanuit mijn geloofsbelevenis laten zien waar ik mijn drive vandaan haal.’

U bent in 1975 gepromoveerd. Als u uw ervaringen vergelijkt met de verhalen van talentvolle postdocs aan uw universiteit, is er dan veel veranderd?

‘Ik ben gaan studeren en promoveren in een tijd dat de universiteit een enorme groei doormaakte. Dat betekende dat je als student mee mocht doen met het totaal: onderwijs geven, in de onderzoekskeuken kijken, een beetje bestuurlijk bezig zijn. Je werd niet als productiemachine voor publicaties gezien, zoals tegenwoordig wel eens het geval is. Zo voelde je je meteen onderdeel van de organisatie. Dat leidt niet af van het onderzoek – dat hoor tegenwoordig wel eens– integendeel, het stimuleert juist.’

Een promotie is tegenwoordig opmaat voor een carrière buiten de universiteit. Wordt dat voldoende duidelijk gemaakt aan promovendi?

‘Dat denk ik niet. Ik heb 31 promovendi gehad. Tien zijn verder gegaan in de wetenschap en drie zijn hoogleraar geworden. Vijfenzestig procent heeft een andere, maatschappelijke carriere gekozen. We moeten ons dat beter realiseren. Primair moet je leren onderzoek doen, maar je kunt in het laatste jaar andere accenten leggen. Ik voelde me verantwoordelijk voor de promotieperiode en de stap erna. Ik vroeg dat aan promovendi: waar ligt je hart? Het mooiste voorbeeld is een promovendus op het gebied van de parasitologie, die het organisatiewezen in wilde. Toen zijn we samen naar de afdeling P&O gegaan en uiteindelijk mocht ze twee maanden cursus volgen op kosten van de VU. En warempel: toen ze gepromoveerd was, heeft ze een goede functie binnen een organisatieadviesbureau gekregen. Daar krijg je als begeleider een kick van.’

U heeft altijd onderwijs als belangrijkste taak van de universiteit bestempeld. Tegenwoordig zijn er ook heel andere geluiden te horen over contacten met het bedrijfsleven en marktgericht onderzoek.

‘De grootste bijdrage van universiteiten aan de maatschappij zit in de mensen die ze opleiden, ongeacht waar ze komen te werken. Wij leiden academici op. Dat is cruciaal, want alle toppers in Nederland hebben een universitaire carrière achter de rug. Het betekent uiteraard niet dat je geen bijdrage moet leveren aan de grote maatschappelijke uitdagingen zoals het milieu en de vergrijzing. Maar je mag je niet door het bedrijfsleven laten bepalen in wat je doet. Wij hebben een eigen verantwoordelijkheid en profiel, van daaruit kun je intensief samenwerken, als dat mogelijk is. Maar je moet geen soortvreemde dingen gaan doen. Je moet niet denken, ‘daar is een zak geld’, dus dat gaan we doen. Dan loop je aan de leiband van de commercie, van het bedrijfsleven. En dat is uiteindelijk de dood in pot. Dan droog je op. Het bedrijfsleven wil direct resultaat. Uiteindelijk wordt je onderzoek minderwaardig.’

Is dit een pleidooi voor meer fundamenteel onderzoek?

‘Je moet in vrijheid onderzoek kunnen doen, en daarin moet je een balans vinden tussen fundamenteel en toegepast. Valorisatie is de laatste jaren een hype. Dan worden onderwerpen verzonnen en gemarkeerd door de overheid, waaraan iedereen dan maar moet gaan werken. Zonder af te vragen of we in Nederland daarvoor de kwaliteiten wel hebben. Onderzoekers gaan dan ad hoc verbintenissen vormen, zonder dat ze echt iets gepresteerd hebben op dit terrein. Eigenlijk moet je zeggen: welke groepen zijn sterk in dat vakgebied? Die nodigen we uit met een voorstel te komen. Dan heb je veel meer kans dat er wat uitkomt. ‘

‘Chistelijke wetenschap bestaat niet’, stelde u ooit in een interview. Speelt levensbeschouwing geen rol meer aan de VU?

‘Levensbeschouwing is in hoge mate vertaald in de cultuur van de organisatie. In het onderwijs hechten we aan kleinschaligheid, omzien naar elkaar. En wij hebben een aantal vakken verplicht voor alle opleidingen: filosofie, geschiedenis van de wetenschap en ethische aspecten van de wetenschap. Reflectief onderwijs noemen we dat tegenwoordig. In onderzoek kun je kiezen voor bepaalde thema’s. In de bijbel staan een aantal kernwaarden, zoals rentmeesterschap. We hebben niet voor niets een beroemd instituut voor milieuwetenschappen. Dat hangt daarmee samen. Een van de andere noties is aandacht voor kwetsbaren in de samenleving. Ons VU medisch centrum heeft gekozen veel aan chronische ziekten te doen toen dat nog helemaal niet sexy was. Het gaat om keuzes voor thema’s vanuit je roots. Maar christelijke wiskunde bestaat niet. Je moet levensbeschouwing en wetenschap ook ontzettend sterk uit elkaar trekken. Dat zijn twee verschillende velden, die wel veel voor elkaar kunnen betekenen. Sommigen halen vanuit het geloof inspiratie om goede wetenschap te doen. Ik heb veel aan elektronenmicroscopie gedaan, en ik heb wel eens gezegd: “Het is allemaal wel heel wonderbaarlijk...”.’

En moeilijk voorstelbaar dat het allemaal spontaan ontstaan is?

‘Ja, maar dat betekent voor mij niet dat er een intelligent designer is. Het prikkelt mij wel extra om dat verder te onderzoeken, daar dieper op in te gaan. Maar we moeten beiden niet gaan vermengen, dan begeef je je wetenschappelijk op glad ijs. In de wetenschap heb je een aantal regels en wetmatigheden afgesproken. Als je je daar niet aan houdt, komt je wetenschap terecht ter discussie te staan. Maar ik mag best vanuit mijn geloofsbelevenis laten zien waar ik mijn drive vandaan haal. Of dat ik het belangrijk vind om wat kritische vragen te stellen over de evolutieleer. Als iemand zegt dat iets evolutionair bewezen is, dan mag ik vragen: hoe sterk is dat, laat dat eens zien? Dan blijken daar bewijstechnisch gaten in te zitten, maar dat betekent niet dat ik dus de evolutieleer verwerp. Je kunt vanuit een andere wereldbeeld kritisch reflecteren op de wetenschap. Zo mag je het gebruiken.’

Is dat geen ingewikkelde spagaat, wetenschap bedrijven gebaseerd op de evolutieleer en tegelijkertijd verwonderd afvragen of alles wel spontaan ontstaan is?

‘Ik heb dat nooit zo ervaren. Ik denk dat elke wetenschapper zich continu vragen stelt, vragen die in het hart van de wetenschap vallen, maar ook andersoortige vragen. Maar je mag er je wetenschap niet door laten beïnvloeden. Of je moet het trachten te bewijzen met wetenschappelijke methoden dat die leer de waarheid is. Je kunt niet zeggen, ik geloof dat, dus het is zo. ‘

Wat is voor u persoonlijk de relatie tussen geloof en wetenschap?

‘Ik vind dat er geen relatie is. Ik vind wel dat ze heel veel voor elkaar kunnen betekenen in onderwijs en onderzoek. Ik ben dan ook verheugd dat er veel allochtone studenten, moslimstudenten naar onze instelling komen, met een andere geloofswereld. Daar moet ruimte voor zijn, respect voor zijn. Vanuit die wereld kunnen ze een bijdrage leveren en ons bevragen. Daar ben je als universiteit voor, om daarover in debat te gaan.’

Ook over de evolutietheorie?

‘Dat is hier gebeurd. Dat mag. Eigenlijk hoop je dat elke student kritische vragen stelt, en in discussie gaat. Zo worden standpunten gevormd en gewijzigd. We zijn toch een instelling waar je verwacht dat iedereen zich uiteindelijk een standpunt eigen maakt.’


CV
Geboren 23 februari 1946 te Amsterdam

1963-1970 Studie medische biologie aan de VU

1967-1980 Student-assistent, (promotie) medewerker.

1980-1999 Hoogleraar histologie,

celbiologie en immunologie

1992-1999 Decaan Geneeskunde

1997-2006 Rector magnificus

Taede Sminia is getrouwd en heeft twee dochters.