artikel afdrukken
bionieuws 21, 05-12-2003

stelling
Stop de veeteelt in natuurgebieden

Grote grazers zullen de wilde flora in de komende decennia sterker doen verarmen dan in de hele naoorlogse periode, betoogt Ruud van der Meijden.

Door Dr. Ruud van der Meijden
Auteur van Heukels’ Flora van Nederland

© bionieuws


In een aantal internationale verdragen zijn de doelstellingen voor het natuurbeheer vastgelegd, bijvoorbeeld in de Bern-Conventie, die zowel dieren als planten noemt die op Europees niveau bescherming moeten krijgen.

Bij nadere bestudering van de plantenlijst van de Bern-Conventie kan worden vastgesteld dat deze uitsluitend lichtkiemende plantensoorten telt. Dat was volkomen onverwacht, maar de vierentwintig samenstellers van de lijst konden geen systematisch fout ontdekken in hun bevindingen.

Dit kan als volgt worden verklaard: lichtkiemers kunnen zich in een schaduwrijk bos niet verjongen, en verdwijnen op den duur. Tenzij de opslag van bomen wordt beperkt door bossen uit te dunnen of te kappen, met andere woorden: door actief te beheren.

Bijna alle wilde planten in Europa hebben zich in de loop der millennia in zekere mate aangepast aan het door mensen beïnvloed landschap. Als een aanpassing aan het gevarieerde landschap zijn donkerkiemende soorten geleidelijk veranderd in lichtkiemende soorten, terwijl soorten die al lichtkiemers waren talrijker konden worden.

Omdat de natuur onder invloed van onze voorouders in meerdere of mindere mate aangepast is geraakt aan grote bosvrije gebieden, moeten wij duizenden jaren later blijven ingrijpen.

Passief beheer zou de soorten van het halfnatuurlijk landschap zwaar treffen, omdat vrijwel alle vegetaties uiteindelijk als bos eindigen. Driekwart van de plantensoorten op de Nederlandse Rode Lijst zou daardoor verdwijnen. Niet ingrijpen heeft dus een schadelijk effect op de natuur.

En, zoals bekend, zou dat ook de insectenfauna - waaronder veel vlinders - zwaar treffen. Natuurbeheer is daarom noodzakelijk. Dus zetten veel natuurorganisaties en terreinbeheerders met een tevreden gevoel vee in, liefkozend grote grazers genoemd. Vanachter de hekken kijkt men toe hoe die grote beesten hun nuttige werk doen. Die arbeid wordt alom gewaardeerd, maar de resulterende vegetatie noem ik verrekijkernatuur: alleen van een afstand ziet het er gevarieerd en natuurlijk uit.

Wie echter met zijn eigen ogen dichtbij kijkt en jaar in jaar uit dat netjes opschrijft, zoals in de Amsterdamse Waterleidingduinen is gebeurd, ziet iets heel anders. De inzet van vee levert maar heel magere biodiversiteitsresultaten in vergelijking met de gebruikelijke beheersmaatregelen als maaien, plaggen en branden.

Het onderzoek in de Amsterdamse waterleidingduinen toont aan dat jaarrondbegrazing een ongunstige invloed heeft op de te beheren vegetatie. Wel maken de grazers overal paadjes, en verhogen zo de ‘structuur’ van het gebied, maar dat kan ook zonder vee gerealiseerd worden.


Armeluisbeheer
Tevens blijken er verschillen te zijn tussen de uitkomsten van begrazingsexperimenten met verschillende soorten vee. Dat komt vooral door de verschillende manieren waarop de dieren grazen, en hun verschillende voorkeuren voor wat ze eten. Grazers zijn selectief, dus is hun inzet te vergelijken met tuinieren. Dat geldt het sterkst voor paarden en pony’s: die eten eerst het lekkers eruit, bijvoorbeeld de wilde orchideeën. Na een aantal jaren zijn die dan ook weg.

Zelfs in de veel armere Oost-Europese landen geldt begrazing door paarden als armeluisbeheer. Toch kunnen veel Nederlandse natuurbeheerders de verleiding maar moeilijk weerstaan om paarden in hun terreinen te laten grazen, want er is een aanbod aan paarden, terwijl voor koeien betaald moet worden. Dat de biodiversiteitsdoelstelling daardoor aangetast wordt, beseft men kennelijk onvoldoende.

Overigens wordt door extensieve begrazing met vee bosvorming niet teruggedrongen, zodat arbeidsintensieve maatregelen als het omhakken of uittrekken van houtopslag noodzakelijk blijven - grazers of geen grazers. Veel natuurbeleid stoelt inmiddels op de misvatting dat halfopen landschappen op natuurlijke wijze zouden ontstaan onder invloed van plantenetende dieren. Er is echter geen spoor van natuurhistorisch bewijs dat in vroeger tijden door begrazing van edelherten, wisenten en oerossen grazige vegetaties ontstonden uit bos.

Een ander ongewenst effect van extensieve veeteelt in natuurgebieden is het optreden van gazonvergrassing: er ontstaat spoedig een lage zode van nota bene dezelfde type grassen als in tuingazons groeien. In die zode krijgen weinig andere soorten een kans.

Hierin schuilt het grootste gevaar dat veeteelt in de natuur aanricht: het aantasten van de zaadvoorraad in de bodem. In de bovenste centimeters van de bodem zijn talloze zaden aanwezig die decennia kiemkrachtig kunnen blijven - zelfs als de ouderplanten al jaren zijn verdwenen.

Door hun voorkeur voor jonge, smakelijke hapjes bereikt het vee niet alleen dat jonge opslag van bomen en struiken wordt opgegeten, maar vooral het negatieve effect dat pas gekiemde kruidachtige planten worden opgegeten vóór ze tot bloei kunnen komen. Dat leidt op den duur tot het uitputten van de in de bodem aanwezige voorraad plantenzaden, zodat herstel van de oorspronkelijke vegetatie onmogelijk wordt.

Uitputting van de zaadbank is dan ook de verklaring voor het geringe succes van natuurvriendelijk slootkantenbeheer: door langdurige overbegrazing is de zaadvoorraad ter plekke verdwenen, en de spontane aanvoer van nieuwe kiemkrachtige zaden is heel klein. Alle beheersmaatregelen in natuurgebieden zouden voortaan getoetst moeten worden op hun effect op de zaadbank, ook al zien we die verborgen zaden nooit.




Noodmaatregel
Eén op de drie wilde Nederlandse planten staat op de Rode Lijst: gaat in aantal vindplaatsen sterk achteruit. Dat komt vooral door de agrarische bio-industrie (vermesting, verdroging), de verstedelijking en de daaruit voortvloeiende versnippering. De meeste vindplaatsen van bedreigde soorten liggen gelukkig in natuurgebieden.

De schijnbaar goedkope oplossing van jaarrondbegrazing in natuurgebieden leidt echter tot een extra verslechtering van de situatie voor Rode Lijst-soorten. We zouden daarom moeten eisen dat het beheer in die gebieden gericht is op het behoud of herstel van de habitats van die soorten.

Omdat nietsdoen een nog slechter perspectief biedt, moeten we het inzetten van vee als een armeluisoplossing zien - een noodmaatregel. De contributies van talloze Nederlanders aan natuurbeheerders moeten we weer inzetten om de beproefde, maar arbeidsintensieve methoden te bekostigen: maaien, plaggen en branden. Weg met de begrazing!